Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-10
ECLI:NL:CRVB:2025:75
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,056 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 10 januari 2025
24/1462 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2024, 23/4637 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Overwegingen
Ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 11 maart 2024 in afschrift aan partijen toegezonden.
Op 13 mei 2024 is de aangevallen uitspraak retour binnengekomen bij de rechtbank. Uit de enveloppe blijkt dat de uitspraak op 25 maart 2024 is aangekomen bij het postkantoor in Marokko, en op 29 april 2024 is geretourneerd met de mededeling: “geweigerd en niet opgehaald”.
Op 21 mei 2024 heeft de rechtbank de uitspraak opnieuw aan appellante toegezonden, per gewone post, waarbij appellante erop is gewezen dat met de nieuwe verzending niet opnieuw een termijn is gaan lopen voor het instellen van hoger beroep.
Het beroepschrift is op 13 augustus 2024 ontvangen.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Appellante heeft in haar beroepschrift aangegeven dat zij er wegens haar ziekte langer over doet om op brieven te reageren.
Wat appellante heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. In dat verband wordt overwogen dat het weigeren en niet ophalen van een aangetekend poststuk binnen de risicosfeer van appellante ligt en daarom voor eigen rekening komt.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij wegens haar ziekte niet in staat is geweest om het poststuk af te (laten) halen.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1259.
Inleiding
Datum uitspraak: 10 januari 2025
24/1462 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2024, 23/4637 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Overwegingen
Ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 11 maart 2024 in afschrift aan partijen toegezonden.
Op 13 mei 2024 is de aangevallen uitspraak retour binnengekomen bij de rechtbank. Uit de enveloppe blijkt dat de uitspraak op 25 maart 2024 is aangekomen bij het postkantoor in Marokko, en op 29 april 2024 is geretourneerd met de mededeling: “geweigerd en niet opgehaald”.
Op 21 mei 2024 heeft de rechtbank de uitspraak opnieuw aan appellante toegezonden, per gewone post, waarbij appellante erop is gewezen dat met de nieuwe verzending niet opnieuw een termijn is gaan lopen voor het instellen van hoger beroep.
Het beroepschrift is op 13 augustus 2024 ontvangen.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Appellante heeft in haar beroepschrift aangegeven dat zij er wegens haar ziekte langer over doet om op brieven te reageren.
Wat appellante heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. In dat verband wordt overwogen dat het weigeren en niet ophalen van een aangetekend poststuk binnen de risicosfeer van appellante ligt en daarom voor eigen rekening komt.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij wegens haar ziekte niet in staat is geweest om het poststuk af te (laten) halen.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1259.