Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-16
ECLI:NL:CRVB:2025:115
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,445 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 16 januari 2025
24/1734 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 mei 2024, 23/7310 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. Ö. Şahin, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Overwegingen
Ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 6 juni 2024 in afschrift aan partijen toegezonden.
Het beroepschrift is op 24 juli 2024 per e-mail ontvangen.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Appellante voert in haar beroepschrift aan dat het aangetekende poststuk van 6 juni 2024 na een mislukte bezorging naar een PostNL-punt is gebracht, maar dat ze niet op de hoogte was gesteld van het feit dat ze post had gekregen, noch van de locatie waar ze dit kon ophalen, aangezien ze geen “niet thuis”-briefje heeft ontvangen en ook niet over de PostNL-app beschikt. Na een retourzending heeft de rechtbank Den Haag de aangevallen uitspraak op26juni 2024 opnieuw (per reguliere post) aan appellante verzonden. Daarbij is appellante erop gewezen dat met de nieuwe toezending geen nieuwe termijn is gaan lopen voor het instellen van hoger beroep. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij tijdig hoger beroep heeft ingesteld, nu ze pas na 26 juni 2024 inhoudelijk kennis heeft kunnen nemen van de aangevallen uitspraak.
Wat appellante heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In dat verband wordt overwogen dat in geval van termijnoverschrijding geldt dat deze overschrijding verschoonbaar kan worden geacht als het niet tijdig indienen van het beroepschrift niet aan de indiener kan worden toegerekend.
Daarvan is sprake als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen (zoals bijvoorbeeld psychisch onvermogen of ernstige ziekte), of als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Van dergelijke omstandigheden is hier geen sprake: indien een aangetekend stuk niet wordt afgehaald, geldt in beginsel het uitgangspunt dat een termijnoverschrijding voor rekening en risico komt van de desbetreffende partij die hoger beroep instelt.
Voor zover appellante heeft betoogd dat zij geen afhaalbericht heeft ontvangen, ligt het op haar weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Zulke feiten heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. PostNL deelt de voortgang van poststukken via de app, en uit het beroepschrift blijkt dat appellante daar ook van op de hoogte is. Dat appellante niet over de app beschikt, dient dan ook voor eigen risico te komen, mede gelet op het gegeven dat appellante aanwezig was bij de zitting en dus op enig moment de uitspraak had kunnen verwachten.
Voorts geldt dat toen de uitspraak op 26 juni 2024, per reguliere post, opnieuw aan appellante werd verzonden, de termijn voor het instellen van hoger beroep nog niet volledig was verstreken. Appellante had vanaf dat moment nog ruimschoots drie weken de tijd om (in ieder geval een pro forma) beroepschrift in te dienen.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1259.