Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-01-17
ECLI:NL:CRVB:2023:93
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,432 tokens
Inleiding
19 4924 PW, 19/4926 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 31 oktober 2019, 19/435 (aangevallen uitspraak 1) en 19/2053 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op de verzoeken om vergoeding van schade
Partijen:
[appellant 1] te [woonplaats 1] (België) (appellant 1)
[appellant 2] te [woonplaats 2] (appellant 2)
het college van burgemeester en wethouders van Stein (college)
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 17 januari 2023
Procesverloop
Namens appellant 1 heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.
Appellant 2 heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.
Het college heeft verweerschriften en – op verzoek van de Raad – nadere stukken ingediend.
Appellanten hebben verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met de zaken 21/616, 21/617, 21/618, 21/4045 en 21/4104, plaatsgevonden op 6 december 2022. In zaak 19/4924 PW is namens appellant 1 mr. Grégoire verschenen. In zaak 19/4926 PW is appellant 2 verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Roestenberg. In de hiervoor genoemde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant 1 ontving sinds 1 januari 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande. Appellant 1 is van 18 mei 2015 tot 1 november 2016 in dienst geweest bij [zorginstelling] (zorginstelling). De inkomsten die appellant 1 uit deze dienstbetrekking ontving, heeft het college in mindering gebracht op de bijstand. De arbeidsovereenkomst van appellant 1 met de zorginstelling is op 1 november 2016 geëindigd. Uit de salarisstroken die appellant nadien aan het college heeft overgelegd, bleek dat appellant in november 2016 een nabetaling van de zorginstelling heeft ontvangen, bestaande uit vakantiegeld, eindejaarsuitkering over 2016 en uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen (nabetaling).
1.2.
Bij besluit van 20 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2017, heeft het college de door appellant 1 ontvangen nabetaling verrekend met de bijstand. Bij uitspraak van 2 februari 2018 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 maart 2017 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:29, heeft de Raad de uitspraak van 2 februari 2018 vernietigd en, voor zover hier van belang, bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt voor zover het de nabetaling van de eindejaarsuitkering over de periode van januari tot en met 30 april 2016 betreft en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant 1 tot een bedrag van € 3.072,-.
1.3.
Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 8 januari 2019 heeft het college op 30 januari 2019 een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit). Bij het bestreden besluit heeft het college de door appellant 1 ontvangen nabetaling van de eindejaarsuitkering over de periode van januari tot en met april 2016 van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 74,42 en meegedeeld dat het college de wettelijke rente over dit na te betalen bedrag zal vergoeden. Tevens heeft het college meegedeeld dat appellant 1 nog bericht zal ontvangen over de uitbetaling van de proceskostenvergoeding van € 3.072,- waartoe de Raad het college heeft veroordeeld.
1.4.
Bij besluit van 31 januari 2019 heeft het college het bedrag van € 3.072,- op grond van artikel 60a van de PW verrekend met een openstaande vordering op appellant 1. Bij uitspraak van 6 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2396, in een ander geschil tussen appellant 1 en het college, heeft de Raad het besluit van 31 januari 2019 op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede bij de beoordeling betrokken en, voor zover van belang, geoordeeld dat het college bevoegd was tot verrekening van het bedrag van € 3.072,- over te gaan.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant 1 tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant 1 en voor verweerder het college moet worden gelezen:
“De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden zijn gericht tegen een veronderstelde toepassing van verrekening zoals bedoeld in art. 60a, vierde lid, van de PW inzake de proceskosten van € 3.072,00 tot betaling waarvan de CRvB verweerder heeft veroordeeld. Tevens stelt de rechtbank vast dat in het bestreden besluit omtrent deze proceskosten echter niets is beslist. Dit betekent dat hetgeen eiser met het beroep beoogt te bereiken, namelijk het tegengaan van verrekening van de aan hem toegekende proceskosten, niet met het beroep kan worden bewerkstelligd. Eiser heeft derhalve geen procesbelang bij het beroep.”
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank ook het beroep van appellant 2 tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant 2 en voor verweerder het college moet worden gelezen:
“De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden zijn gericht tegen de vermeende verrekening door verweerder wat betreft de proceskosten van € 3.072,00 die verweerder ingevolge de uitspraak van de CRvB aan [appellant 1] dient te betalen. Deze proceskosten betreffen de door eiser verleende rechtshulp in de voornoemde procedures die eiser namens [appellant 1] tegen verweerder heeft gevoerd en die eiser dan ook (indirect) toekomen. Afgezien van de vraag of eiser aangemerkt kan worden als belanghebbende bij het bestreden besluit [...], kan hetgeen hij met het beroep wenst te bereiken, namelijk het tegengaan van verrekening van de aan appellant 1 toegekende proceskosten niet bewerkstellingen, nu in het bestreden besluit [...] omtrent deze proceskosten niets is beslist. Eiser heeft derhalve geen procesbelang bij het beroep.”
3. In de hoger beroepen hebben appellanten zich, onder verwijzing naar de gronden in beroep, op het standpunt gesteld dat het college ten tijde van het bestreden besluit reeds tot verrekening was overgegaan, maar daarover in het bestreden besluit ten onrechte niets heeft vermeld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, zijn een herhaling van wat appellanten in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraken onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De Raad kan zich geheel vinden in de oordelen van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2.1 en 2.2 weergegeven, waarop die oordelen rusten.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
5. Appellanten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de rechterlijke fase.
5.1.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vangt aan op het moment dat er een geschil is tussen het bestuursorgaan en de betrokkene. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens markeert de aanvang van de redelijke termijn op “the date on which the action was instituted” (onder meer het arrest van 29 mei 1986, nr. 9384/81, inzake Deumeland tegen Duitsland, ECLI:CE:ECHR:1986:0529JUD000938481). Doorgaans is dit op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit. Zie de uitspraak van de Raad van 13 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537.
5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
5.3.
De Raad volgt appellant 1 niet in zijn standpunt dat de redelijke termijn is aangevangen op de datum van de ontvangst door het college van het bezwaarschrift tegen het besluit van 20 december 2016. De procedure die toen is aangevangen, is namelijk geëindigd met de uitspraak van de Raad van 8 januari 2019.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep:
in 19/4924 PW:
bevestigt de aangevallen uitspraak 1;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant 1 van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant 1 tot een bedrag van € 418,50.
in 19/4926 PW:
bevestigt de aangevallen uitspraak 2;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant 2 van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs als voorzitter en W.F. Claessens en C.E.M. Marsé als leden, in tegenwoordigheid van A.F. Hulskes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2023.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) A.F. Hulskes
Inleiding
19 4924 PW, 19/4926 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 31 oktober 2019, 19/435 (aangevallen uitspraak 1) en 19/2053 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op de verzoeken om vergoeding van schade
Partijen:
[appellant 1] te [woonplaats 1] (België) (appellant 1)
[appellant 2] te [woonplaats 2] (appellant 2)
het college van burgemeester en wethouders van Stein (college)
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 17 januari 2023
Procesverloop
Namens appellant 1 heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.
Appellant 2 heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.
Het college heeft verweerschriften en – op verzoek van de Raad – nadere stukken ingediend.
Appellanten hebben verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met de zaken 21/616, 21/617, 21/618, 21/4045 en 21/4104, plaatsgevonden op 6 december 2022. In zaak 19/4924 PW is namens appellant 1 mr. Grégoire verschenen. In zaak 19/4926 PW is appellant 2 verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Roestenberg. In de hiervoor genoemde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant 1 ontving sinds 1 januari 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande. Appellant 1 is van 18 mei 2015 tot 1 november 2016 in dienst geweest bij [zorginstelling] (zorginstelling). De inkomsten die appellant 1 uit deze dienstbetrekking ontving, heeft het college in mindering gebracht op de bijstand. De arbeidsovereenkomst van appellant 1 met de zorginstelling is op 1 november 2016 geëindigd. Uit de salarisstroken die appellant nadien aan het college heeft overgelegd, bleek dat appellant in november 2016 een nabetaling van de zorginstelling heeft ontvangen, bestaande uit vakantiegeld, eindejaarsuitkering over 2016 en uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen (nabetaling).
1.2.
Bij besluit van 20 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2017, heeft het college de door appellant 1 ontvangen nabetaling verrekend met de bijstand. Bij uitspraak van 2 februari 2018 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 maart 2017 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:29, heeft de Raad de uitspraak van 2 februari 2018 vernietigd en, voor zover hier van belang, bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt voor zover het de nabetaling van de eindejaarsuitkering over de periode van januari tot en met 30 april 2016 betreft en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant 1 tot een bedrag van € 3.072,-.
1.3.
Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 8 januari 2019 heeft het college op 30 januari 2019 een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit). Bij het bestreden besluit heeft het college de door appellant 1 ontvangen nabetaling van de eindejaarsuitkering over de periode van januari tot en met april 2016 van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 74,42 en meegedeeld dat het college de wettelijke rente over dit na te betalen bedrag zal vergoeden. Tevens heeft het college meegedeeld dat appellant 1 nog bericht zal ontvangen over de uitbetaling van de proceskostenvergoeding van € 3.072,- waartoe de Raad het college heeft veroordeeld.
1.4.
Bij besluit van 31 januari 2019 heeft het college het bedrag van € 3.072,- op grond van artikel 60a van de PW verrekend met een openstaande vordering op appellant 1. Bij uitspraak van 6 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2396, in een ander geschil tussen appellant 1 en het college, heeft de Raad het besluit van 31 januari 2019 op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede bij de beoordeling betrokken en, voor zover van belang, geoordeeld dat het college bevoegd was tot verrekening van het bedrag van € 3.072,- over te gaan.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant 1 tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant 1 en voor verweerder het college moet worden gelezen:
“De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden zijn gericht tegen een veronderstelde toepassing van verrekening zoals bedoeld in art. 60a, vierde lid, van de PW inzake de proceskosten van € 3.072,00 tot betaling waarvan de CRvB verweerder heeft veroordeeld. Tevens stelt de rechtbank vast dat in het bestreden besluit omtrent deze proceskosten echter niets is beslist. Dit betekent dat hetgeen eiser met het beroep beoogt te bereiken, namelijk het tegengaan van verrekening van de aan hem toegekende proceskosten, niet met het beroep kan worden bewerkstelligd. Eiser heeft derhalve geen procesbelang bij het beroep.”
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank ook het beroep van appellant 2 tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant 2 en voor verweerder het college moet worden gelezen:
“De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden zijn gericht tegen de vermeende verrekening door verweerder wat betreft de proceskosten van € 3.072,00 die verweerder ingevolge de uitspraak van de CRvB aan [appellant 1] dient te betalen. Deze proceskosten betreffen de door eiser verleende rechtshulp in de voornoemde procedures die eiser namens [appellant 1] tegen verweerder heeft gevoerd en die eiser dan ook (indirect) toekomen. Afgezien van de vraag of eiser aangemerkt kan worden als belanghebbende bij het bestreden besluit [...], kan hetgeen hij met het beroep wenst te bereiken, namelijk het tegengaan van verrekening van de aan appellant 1 toegekende proceskosten niet bewerkstellingen, nu in het bestreden besluit [...] omtrent deze proceskosten niets is beslist. Eiser heeft derhalve geen procesbelang bij het beroep.”
3. In de hoger beroepen hebben appellanten zich, onder verwijzing naar de gronden in beroep, op het standpunt gesteld dat het college ten tijde van het bestreden besluit reeds tot verrekening was overgegaan, maar daarover in het bestreden besluit ten onrechte niets heeft vermeld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, zijn een herhaling van wat appellanten in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraken onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De Raad kan zich geheel vinden in de oordelen van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2.1 en 2.2 weergegeven, waarop die oordelen rusten.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
5. Appellanten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de rechterlijke fase.
5.1.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vangt aan op het moment dat er een geschil is tussen het bestuursorgaan en de betrokkene. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens markeert de aanvang van de redelijke termijn op “the date on which the action was instituted” (onder meer het arrest van 29 mei 1986, nr. 9384/81, inzake Deumeland tegen Duitsland, ECLI:CE:ECHR:1986:0529JUD000938481). Doorgaans is dit op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit. Zie de uitspraak van de Raad van 13 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537.
5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
5.3.
De Raad volgt appellant 1 niet in zijn standpunt dat de redelijke termijn is aangevangen op de datum van de ontvangst door het college van het bezwaarschrift tegen het besluit van 20 december 2016. De procedure die toen is aangevangen, is namelijk geëindigd met de uitspraak van de Raad van 8 januari 2019.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep:
in 19/4924 PW:
bevestigt de aangevallen uitspraak 1;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant 1 van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant 1 tot een bedrag van € 418,50.
in 19/4926 PW:
bevestigt de aangevallen uitspraak 2;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant 2 van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs als voorzitter en W.F. Claessens en C.E.M. Marsé als leden, in tegenwoordigheid van A.F. Hulskes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2023.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) A.F. Hulskes