Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-06-23
ECLI:NL:CRVB:2021:1507
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,708 tokens
Inleiding
171922 WIA
Datum uitspraak: 23 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van2 maart 2017, 16/2801 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A. Aksu, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Door partijen zijn nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met zaak 18/6298 van appellant en de zaken 18/6282, 18/6431, 19/1582 en 19/1975 van [naam] , deels via beeldbellen, plaatsgevonden op 12 mei 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel. Nadien zijn de zaken gesplitst. In de zaak 18/6298 en in de zaken 18/6282, 18/6431, 19/1582 en 19/1975 is afzonderlijk uitspraak gedaan.
Appellant heeft ter zitting een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Overwegingen
1.1.
Appellant heeft op 7 oktober 2015 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij werkzaam was als algemeen verkoopmedewerker bij [bedrijf] , gevestigd te [gemeente] , in de periode van 1 december 2013 tot en met 30 november 2014, waarvoor hij werkzaamheden als algemeen verkoopmedewerker zou hebben verricht. Tevens heeft appellant vermeld dat hij op 27 december 2013 ziek is geworden.
1.2.
Bij besluit van 16 november 2015 heeft het Uwv appellant met ingang van 25 december 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Het dagloon van appellant is hierbij vastgesteld op € 8,78 (geïndexeerd op € 8,96) en is gebaseerd op het dienstverband bij [BV 1] waar appellant vanaf 22 april 2013 als uitzendkracht werkzaam is geweest. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt op de grond dat het dagloon mede gebaseerd zou moeten worden op een dienstverband bij [BV 2] , waar appellant op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar vanaf 1 juli 2013 als koerier voor 40 uur per week werkzaam zou zijn geweest. Als bijlagen heeft appellant een arbeidsovereenkomst, loonstroken en een jaaropgave over het jaar 2013 overgelegd. Daarna heeft appellant nog een aangifte inkomstenbelasting 2013 ingezonden, alsmede een brief van 4 maart 2016 van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 19 april 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hierbij overwogen dat blijkens de polisadministratie in het refertejaar uitsluitend het dienstverband van appellant met [BV 1] bekend is en geen dienstverband met [BV 2] . De door appellant in bezwaar overgelegde stukken zijn onvoldoende om aan te nemen dat appellant ook daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht bij [BV 2] .
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het dagloon van appellant terecht en op juiste gronden is gebaseerd op het loon dat in de referteperiode is ontvangen van [BV 1] . De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het Uwv in beginsel mag uitgaan van de gegevens uit Suwinet/polisadministratie. Dit is anders wanneer uit objectieve en verifieerbare gegevens blijkt dat de gegevens uit Suwinet/polisadministratie onjuist zijn (zie uitspraak van de Raad van 13 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1672). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat met de door appellant overgelegde stukken nog niet is aangetoond dat ook daadwerkelijk een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [BV 2] bestond uit hoofde waarvan appellant ook als verzekerde kan worden aangemerkt. Het Uwv heeft in beroep een onderzoeksrapport “Arizona” van 14 februari 2017 overgelegd waaruit naar voren komt dat het dienstverband van appellant met [BV 2] een gefingeerd dienstverband betreft. Ter zitting heeft appellant gesteld dat hij daadwerkelijk heeft gewerkt bij [BV 2] . Van objectieve en verifieerbare gegevens die leiden tot het oordeel dat het Uwv niet kon uitgaan van de gegevens in Suwinet/polisadministratie is naar het oordeel echter geen sprake. De rechtbank heeft met het Uwv geconcludeerd dat het dagloon van appellant terecht en op juiste gronden alleen is gebaseerd op het loon wat in de referteperiode is ontvangen van [BV 1]
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een belastend besluit, dat onzorgvuldig is voorbereid. Het Arizona-onderzoeksrapport van het Uwv is onvolledig. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij voldoende bewijs heeft aangeleverd om aan te tonen dat het dienstverband bij [BV 2] wel degelijk heeft bestaan. Ook wijst hij op de vrijspraak door de strafrechter op 22 januari 2020.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat bij de vaststelling van het dagloon niet ook het loon van het door appellant gestelde dienstverband bij [BV 2] dient te worden betrokken. Anders dan appellant stelt is geen sprake van een belastend besluit, nu het in de onderhavige procedure gaat om (de vaststelling van de hoogte van het dagloon in het kader van een) toekenning van een WIA-uitkering.
4.2.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv bij de vaststelling van het dagloon in beginsel mag uitgaan van de gegevens uit Suwinet/polisadministratie. Dit is anders wanneer uit objectieve en verifieerbare gegevens blijkt dat de gegevens uit Suwinet/polisadministratie onjuist zijn. Uit de polisadministratie blijkt niet dat appellant in het refertejaar werkzaam is geweest bij [BV 2] .
4.3.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het vermeende dienstverband van appellant bij [BV 2] een gefingeerd dienstverband betreft, waarmee is bedoeld een dienstverband dat feitelijk alleen op papier bestaat en door de betrokken persoon in werkelijkheid niet is gewerkt. De rechtbank heeft op goede gronden het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellant daar onvoldoende tegenover heeft gesteld. Appellant heeft niet aangetoond dat hij loon heeft ontvangen. De enkele verklaring dat het salaris contant is betaald en dat hij geen kwitanties heeft ontvangen, is niet overtuigend nu appellant zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat met de door appellant overgelegde aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2013, de brief van 4 maart 2016 van de Dienst Uitvoering Onderwijs, alsook met de arbeidsovereenkomst met [BV 2] , de loonstroken en een jaaropgave, niet kan worden vastgesteld dat appellant in werkelijkheid bij [BV 2] arbeid heeft verricht én loon heeft ontvangen.
4.4.
De rechtbank heeft verder belang mogen hechten aan de resultaten van het onderzoek zoals neergelegd in het in beroep overgelegde onderzoeksrapport “Arizona” van 14 februari 2017. Geoordeeld wordt dat het door het Uwv verrichte onderzoek naar (het bestaan van) de dienstbetrekking van appellant bij [BV 2] zorgvuldig en toereikend is geweest. In het onderzoeksrapport is onder meer vermeld dat appellant zijn vermeende dienstbetrekking bij [BV 2] tijdens zijn hele ziekteperiode niet heeft genoemd. Ook in de WIA-aanvraag is dit dienstverband niet vermeld. Pas na de aanvraag voor een WIA-uitkering wordt op dit dienstverband gewezen. De in hoger beroep ter zitting herhaalde stelling dat appellant destijds mondeling aan een medewerkster van het Uwv heeft meegedeeld dat hij ook bij [BV 2] heeft gewerkt, wordt niet ondersteund met concrete gegevens. Verder blijkt uit het onderzoeksrapport dat geen omzet van [BV 2] bekend is over 2013 en dat geen bankbetalingen zijn gedaan aan appellant, terwijl het salaris volgens de arbeidsovereenkomst betaald zou worden via de bank. Ook bestaat onduidelijkheid over de leidinggevende van appellant. Daarbij komt dat appellant niet wist waar het kantoor was gevestigd en [BV 2] niet bekend was op het adres waar het volgens de Kamer van Koophandel stond ingeschreven. Dit alles biedt geen steun voor de opvatting dat appellant daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht voor [BV 2] . Aan de door appellant in hoger beroep overgelegde verklaringen wordt voorts niet die waarde gehecht die appellant daaraan gehecht wenst te zien, reeds omdat die verklaringen niet zien op mogelijke werkzaamheden die door appellant zouden zijn verricht. Ook in de omstandigheid dat appellant op 22 januari 2020 is vrijgesproken door de strafrechter wordt geen aanleiding gezien voor een ander oordeel, nu daarmee evenmin bewijs wordt geleverd dat appellant feitelijke werkzaamheden heeft verricht en loon heeft ontvangen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.136,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 267,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,00,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en I.M. Hilhorst-Hagen en S.B. Smit-Colenbrander als leden, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) A.M.M. Chevalier