Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-02-27
ECLI:NL:CRVB:2019:636
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,350 tokens
Inleiding
173130 WIA
Datum uitspraak: 27 februari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 maart 2017, 16/4275 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2018. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.
Overwegingen
1.1.
Appellante was werkzaam als zorgverlener thuiszorg voor 40 uur per week toen zij zich op 30 januari 2012, tijdens zwangerschap, ziek meldde met rugklachten. Bij besluit van 6 maart 2015 is vastgesteld dat appellante per 28 oktober 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt onder meer een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 juni 2015 ten grondslag met een op 2 juli 2015 vastgestelde, aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), geldend vanaf 28 oktober 2014. Het door appellante hiertegen ingestelde beroep heeft de rechtbank Midden‑Nederland bij uitspraak van 11 december 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:9873) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4511) heeft de Raad het door appellante tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep niet‑ontvankelijk verklaard.
1.2.
Op 17 augustus 2015 heeft appellante zich wederom ziek gemeld. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Toen deze afliep heeft het Uwv appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 22 oktober 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van die dag hersteld is en geen recht (meer) heeft op een ZW‑uitkering. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 december 2015 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Op 22 januari 2016 heeft appellante, onder overlegging van een brief van een internist van het Diakonessenhuis Utrecht van 22 januari 2016 waaruit onder meer blijkt dat zij enkele dagen ter observatie is opgenomen en dat is gestart met maagbeschermers en een voor de maag kalmerend middel, het Uwv gemeld dat haar gezondheid per 20 januari 2016 is verslechterd. In verband met deze melding heeft appellante op 17 februari 2016 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft in een rapport van dezelfde dag geconcludeerd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak, omdat de korte opname in het ziekenhuis in januari waarschijnlijk het gevolg was van een maagaandoening, terwijl ten tijde van de WIA‑beoordeling per 28 oktober 2014 geen sprake was van beperkingen ten gevolge van een maagaandoening. Bij besluit van 18 februari 2016 heeft het Uwv daarom vastgesteld dat appellante met ingang van 20 januari 2016 niet in aanmerking komt voor een WIA‑uitkering. Bij besluit van 4 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juli 2016 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en inzichtelijk zijn gemotiveerd. De rechtbank heeft het oordeel van de verzekeringsartsen dat de maagklachten bij de eerdere WIA‑beoordeling niet hebben geleid tot het aannemen van beperkingen gevolgd en heeft er verder op gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 5 oktober 2016 gemotiveerd uiteen heeft gezet dat de rugklachten van appellante, die per 28 oktober 2014 wel tot beperkingen hebben geleid, geen relatie hadden met haar maagproblemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om hieraan te twijfelen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante haar standpunt dat het medisch oordeel onjuist is, in beroep niet met medische stukken heeft onderbouwd.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zij per 20 januari 2016 niet toegenomen arbeidsongeschikt is ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als die welke speelde gedurende de wachttijd van de Wet WIA. Toen was zij wel degelijk beperkt ten gevolge van maagklachten, welke beperkingen in januari 2016 zijn toegenomen. De maagklachten hebben volgens appellante bovendien een relatie met de rugklachten, waarvoor in de FML van 2 juli 2015 beperkingen zijn opgenomen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In dit geding gaat het om de vraag of appellante, gelet op artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van de Wet WIA, op grond van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 20 januari 2016 zonder inachtneming van een wachttijd recht heeft op een WIA‑uitkering. Daartoe is vereist dat appellante binnen vijf jaar na 28 oktober 2014 meer dan 35% arbeidsongeschikt is geworden en de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan zij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid. Het moet dus gaan om een toename van de oorspronkelijke klachten. Dit betekent tevens, dat alleen de klachten die een rol speelden bij de beoordeling per einde wachttijd in de zin dat daarvoor toen beperkingen zijn aangenomen, in aanmerking genomen kunnen worden (zie de uitspraken van de Raad van 7 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1047, en van 28 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3776).
4.2.
Bij de beoordeling van een geschil over toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak als bedoeld in de Wet WIA wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad ten aanzien van deze begrippen aangesloten bij de rechtspraak over artikel 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Overeenkomstig hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 12 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8792) heeft overwogen, bestaat er geen aanleiding om ten aanzien van artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA in andere zin te oordelen, waarbij wordt aangetekend dat blijkens de parlementaire geschiedenis van die bepalingen de wetgever heeft beoogd de in de WAO neergelegde zogeheten Amberregeling voort te zetten in de Wet WIA. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat de tekst van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA, geen aanknopingspunten biedt om de op dit punt met betrekking tot artikel 43a van de WAO gevormde rechtspraak niet langer van toepassing te achten.
Volgens eveneens vaste rechtspraak brengt het bepaalde in artikel 43a van de WAO met zich mee dat de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen voorafgaat aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. Pas als de vraag is beantwoord of sprake is van toegenomen beperkingen, komt de vraag aan de orde of deze voortvloeien uit een andere oorzaak. Voorts dient volgens vaste rechtspraak buiten twijfel te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. De bewijslast rust in beginsel op degene die stelt dat er geen causaal verband is tussen de eerdere en de latere uitval (zie de uitspraak van de Raad van 13 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0711). Bij een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak zal het veelal gaan om een toename van in de eerdere FML opgenomen beperkingen, maar ook is mogelijk dat een dergelijke toename ertoe leidt dat beperkingen worden aangenomen in een rubriek waarin destijds geen beperkingen zijn aangenomen. (zie de uitspraak van de Raad van 28 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY8136).
4.3.
In het licht van de onder 4.2 vermelde beoordelingsmaatstaf dient allereerst de vraag te worden beantwoord of ten opzichte van appellantes toestand op 28 oktober 2014 sprake was van toegenomen beperkingen per 20 januari 2016.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) R.P.W. Jongbloed
VC