Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-11-28
ECLI:NL:CRVB:2018:3776
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,370 tokens
Inleiding
171046 WIA
Datum uitspraak: 28 november 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
10 januari 2017, 15/7806 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R.L. de la Parra, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De la Parra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
W.L.J. Weltevrede.
Overwegingen
1.1.
Appellant was laatstelijk werkzaam als servicemonteur voor 39,31 uur per week. Hij heeft zich op 28 november 2008, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidwet ontving, ziek gemeld. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft op
5 oktober 2010 onderzoek verricht en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
5 oktober 2010 opgesteld. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van
10 november 2010 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 26 november 2010 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
Appellant heeft zich op 9 februari 2015 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens verergering van zijn klachten. Naar aanleiding van deze melding is appellant onderzocht door een verzekeringsarts. Op basis van eigen bevindingen, dossieronderzoek, een door appellant ingevulde vragenlijst en informatie van de huisarts van appellant heeft de verzekeringsarts te kennen gegeven dat nog altijd sprake is van de klachten die aanwezig waren tijdens de beoordeling in 2010, pijn op de borst en kortademigheid. De verzekeringsarts heeft het waarschijnlijk geacht dat die klachten destijds (gedeeltelijk) een uiting waren van onder andere psychische problematiek. Deze klachten zijn verergerd. De diverse overige lichamelijke klachten berusten niet op eenzelfde ziekteoorzaak. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant weergegeven in een FML van 19 mei 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend. Bij besluit van 3 juni 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 1 april 2015 geen recht is ontstaan op WIA-uitkering, omdat appellant met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschiktheid was.
1.3.
Bij besluit van 11 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juni 2015 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 november 2015, het volgende overwogen:
“Aan u is ingaande 26 november geen WIA-uitkering toegekend, omdat u minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na deze beoordeling heeft u niet meer gewerkt. Op 9 februari 2015 heeft u zich gemeld met toegenomen klachten vanuit de WWB. Dit betekent, dat u slechts verzekerd bent voor toegenomen arbeidsongeschiktheid als die op grond waarvan u de wachttijd heeft doorlopen. Voor toegenomen arbeidsongeschiktheid uit een andere ziekteoorzaak bent u niet verzekerd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderzocht of de beoordeling van de primaire verzekeringsarts juist is. Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt het volgende. De primaire verzekeringsarts heeft bij zijn beoordeling ten onrechte “huidige klachten” aangemerkt als “voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak”. Er is echter in uw situatie geen sprake van ‘toegenomen beperkingen voortvloeiend uit dezelfde oorzaak als in het verleden’. Dit betekent dat u per 9 februari geen WIA-uitkering kunt krijgen; ook per 1 april 2015 kunt u geen WIA-uitkering krijgen”.
Het bestreden besluit is in de plaats gekomen van het besluit van 3 juni 2015.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat van toegenomen beperkingen in verband met de bij de WIA-beoordeling per 26 november 2010 geclaimde klachten geen sprake is. Over de andere door appellant genoemde klachten heeft de rechtbank overwogen dat, omdat voor die klachten destijds geen beperkingen zijn aangenomen, deze niet kunnen leiden tot toepassing van artikel 55 van de Wet WIA. Om deze reden is de rechtbank niet overgegaan tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige voor het instellen van een onderzoek naar de overige klachten van appellant, zoals door hem is verzocht.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij ten tijde van de WIA-beoordelingen per
26 november 2010 ook bekend was met schouderklachten, bronchitis, whiplashklachten, diabetes en een stofallergie. Appellant heeft ter onderbouwing van deze stelling gewezen op een brief van 1 maart 2010 van cardioloog M.S. Hulsbergen. Door de verzekeringsarts is in het rapport van 5 oktober 2010 vermeld dat de cardioloog constateerde dat appellant emotioneel was. Appellant heeft aangevoerd dat de cardiale problematiek geen ziekteoorzaak is, maar een ziekteverschijnsel veroorzaakt door de psychische klachten. De psychische klachten vormen de daadwerkelijke ziekteoorzaak. Dit volgt uit het journaal van zijn huisarts. Hieruit is gebleken dat appellant op 20 mei 2010 bij de cardioloog M.S. Hulsbergen heeft gemeld dat hij “niet lekker in zijn vel” zat. In een rapport van 6 juli 2006 heeft een verzekeringsarts geconstateerd dat zijn emotionele weerbaarheid laag was. Uit een brief van 18 november 2005 van neuroloog P. de Wit blijkt dat bij appellant mogelijk kenmerken van fibromyalgie aanwezig waren.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ter zitting bij de Raad heeft het Uwv expliciet bestreden dat de beperkingen die in de FML van 5 oktober 2010 zijn opgenomen voortkomen uit psychische klachten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de beoordeling van een geschil over toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak als bedoeld in de Wet WIA wordt volgens vaste rechtspraak ten aanzien van deze begrippen aangesloten bij de rechtspraak over artikel 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM2700).
4.2.
Volgens eveneens vaste rechtspraak brengt het bepaalde in artikel 43a van de WAO met zich mee dat de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen voorafgaat aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. Pas als de vraag is beantwoord of sprake is van toegenomen beperkingen, komt de vraag aan de orde of deze voortvloeien uit een andere oorzaak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0711). Bij deze laatste vraag dient buiten twijfel te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. Dat geldt evenzeer voor de toepassing van de artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.
4.3.
Niet in geschil is dat sprake is van een toename van de beperkingen van appellant. In geschil is de vraag of het Uwv buiten twijfel heeft gesteld dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere ziekteoorzaak dan waarmee appellant de wachttijd heeft doorlopen.
4.4.
Appellant heeft zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld als gevolg van een depressieve episode, myalgie/spierpijn, angina pectoris en overige respiratoire aandoeningen. Met het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 november 2015 heeft het Uwv voldaan aan de op hem rustende bewijslast buiten twijfel te stellen dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid vanaf 9 februari 2015 weliswaar zijn toegenomen, maar uit een andere oorzaak voortvloeien dan de beperkingen die ten grondslag lagen aan de WIA-beoordeling per
26 november 2010.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2018.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) M.A.E. Lageweg
OS