Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-11-26
ECLI:NL:CRVB:2018:3827
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Wraking
990 tokens
Dictum
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum beslissing: 26 november 2018
Procesverloop
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2018, 17/1195, in een geding tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Druten (college).
Op 16 oktober 2018 heeft de griffier aan partijen bericht dat het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 6 december 2018 en dat H. Lagas de behandelend rechter (behandelend rechter) is.
Bij brief van 29 oktober 2018, aangevuld bij brief van 3 november 2018, heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter.
De behandelend rechter heeft schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek en meegedeeld niet in het verzoek te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op de zitting van 19 november 2018. Zij zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen.
Overwegingen
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de behandelend rechter een van de drie rechters was die een eerder hoger beroep hebben behandeld in een ander geding tussen verzoeker en het college, dat heeft geleid tot de uitspraak van
28 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2928. Tijdens de behandeling ter zitting van dat hoger beroep op 16 juni 2016 heeft de behandelend rechter aan verzoeker de vraag gesteld waarom hij niet op zoek is gegaan naar een andere baan of woorden van gelijke strekking. Deze vraag sloot volgens verzoeker aan bij een passage uit het verweerschrift van het college en hiermee heeft de behandelend rechter de schijn van partijdigheid gewekt.
3.1.
Artikel 8:16, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het verzoek om wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
3.2.
Het verzoek om wraking van de behandelend rechter is uitsluitend gebaseerd op iets wat de behandelend rechter op 16 juni 2016 aan verzoeker zou hebben voorgehouden. Als verzoeker meent dat uit de bewuste vraag een vorm van partijdigheid kan worden afgeleid, dan had het op zijn weg gelegen om naar aanleiding daarvan toen in die procedure (onverwijld) een verzoek om wraking van de behandelend rechter in te dienen. Door daarmee te wachten tot na kennisneming van de brief van 16 oktober 2018 heeft verzoeker gehandeld in strijd met artikel 8:16, eerste lid, van de Awb. Het verzoek zal om die reden
niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.3.
Ten overvloede wordt overwogen dat het vaste rechtspraak van de Raad is dat de onpartijdigheid van een rechter niet heeft te lijden enkel omdat die rechter al eerder heeft geoordeeld in een zaak waar de verzoeker partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld (ECLI:NL:CRVB:2008:BG8693).
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om wraking van de behandelend rechter niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gedaan door M. Greebe als voorzitter en E. Dijt en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2018.
(getekend) M. Greebe
(getekend) M.A.E. Lageweg
IvR