Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-05-16
ECLI:NL:CRVB:2019:1630
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,882 tokens
Inleiding
186340 AW, 18/6341 AW, 18/6342 AW
Datum uitspraak: 16 mei 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 juli 2016, 15/5968, 15/5969, 15/5970 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Druten (college)
Procesverloop
Bij brief van 10 november 2018 heeft verzoeker verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 juli 2016, 15/5968 AW, 15/5969 AW, 15/5970 AW, ECLI:NL:CRVB:2016:2928.
Namens het college heeft mr. A.G. Kerkhof, advocaat, hierop gereageerd.
Verzoeker heeft schriftelijk gereageerd en heeft verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
Bij besluit van 13 november 2012 heeft het college verzoeker met ingang van
1 januari 2013 voor een periode van twee jaar en voor 32 uur per week aangesteld in de functie van [functie 1] (S9). Met zijn brief van 20 november 2012 heeft verzoeker de aanstellingsvoorwaarden aanvaard.
1.2.
Bij brief van 4 juni 2013 heeft verzoeker, voor zover thans van belang, het college verzocht om terug te komen van het besluit van 13 november 2012, omdat zijn aanstellingsomvang naar zijn mening ten minste 1,61 fte had moeten bedragen. Hij heeft zich daarbij, samengevat, op het standpunt gesteld dat hij in zijn nieuwe functie van [functie 1] het volledige takenpakket heeft overgenomen van zowel de voormalig [functie 1] als de voormalig [functie 2].
1.3.
Bij besluit van 27 mei 2014 heeft het college het verzoek afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat er geen reden is terug te komen van de beslissing om een vacature open te stellen voor 32 uur en dat het aan het college is de omvang van de formatie te bepalen en de prioriteiten vast te stellen. Verzoeker heeft tegen het besluit van 27 mei 2014 rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.4.
In het kader van de invoering van het nieuwe functiebeschrijvings- en waarderingssysteem HR21 heeft het college op 1 april 2014 beslissingen genomen ten aanzien van het eindadvies van de indelingscommissie met betrekking tot de toetsing van de indeling van de geactualiseerde functiebeschrijvingen naar norm- en/of lokale functiebeschrijvingen in het HR21-systeem en op 1 juli 2014 ingestemd met het advies van de plaatsingscommissie en de plaatsingslijst in principe vastgesteld. De hiertegen door verzoeker gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 6 november 2014 onderscheidenlijk besluit van 25 november 2014
niet-ontvankelijk verklaard.
1.5.
Het tijdelijk dienstverband van verzoeker is met ingang van 1 januari 2015 geëindigd. Verzoeker is vanaf 1 september 2014 tot 1 januari 2015 vrijgesteld geweest van werkzaamheden met behoud van bezoldiging.1.6. Bij uitspraak van 30 juli 2015 heeft de rechtbank Gelderland de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
1.7.
Bij de uitspraak waarvan verzoeker herziening heeft verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd voor zover die strekt tot ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 27 mei 2014 en afwijzing van het verzoek om schadevergoeding en het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening het volgende ten grondslag gelegd. De Raad heeft de onrechtmatige totstandkoming van zijn functie in 2012 aan de hand van de in 2015 toegezonden stukken gezien dan wel moeten inzien, en had het beroep tegen de uitspraak van 30 juli 2015 op grond van artikel 8:69 van de Awb moeten aanvullen. Deze aanvulling van rechtsgronden diende vóór te gaan op een terughoudende toetsing, temeer omdat de bezwaren van verzoeker van juni 2013 achteraf wel degelijk als tijdig hadden moeten worden aangemerkt, namelijk als zienswijzen tegen een uitgebleven actualisering.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702) geldt dat van degene die herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend verzoek om herziening moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.3.
Een verzoek om herziening als hier aan de orde wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden dan wel, indien geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld, na de openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
3.4.
Aan het verzoek om herziening zijn uitsluitend argumenten ten grondslag gelegd op grond waarvan verzoeker van mening is dat de uitspraak van 28 juli 2016 onjuist is. Het verzoek bevat geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om herziening is meer dan een jaar na openbaarmaking van de uitspraak van 28 juli 2016 ingediend. Daarmee is het verzoek onredelijk laat ingediend. Daarom zal het verzoek om herziening niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.5.
Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in titel 8.4 van de Awb. Uit artikel 8:119, tweede lid, van de Awb volgt dat deze titel niet van toepassing is op het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening.
Dit betekent dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade alleen al hierom moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2019.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) P.W.J. Hospel
lh