Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-07-20
ECLI:NL:CRVB:2017:2527
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,231 tokens
Inleiding
15/4960 AW, 15/5792 AW
Datum uitspraak: 20 juli 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
10 juli 2015, 14/6459 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de korpschef van politie (korpschef)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P. de Haas een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft S.A.J.T. Hoogendoorn nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door Hoogendoorn. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. M.J.M. Suijs.
Overwegingen
1.1.
Betrokkene is als politieambtenaar aangesteld, laatstelijk bij de voormalige regiopolitie [naam regio], thans de [naam Eenheid], in de functie van generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP).
1.2.
Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn vastgelegd in de op
1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782; circulaire).
1.3.
Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’. In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
1.4.
Bij de voormalige regiopolitie [naam regio] is het criterium van een beoordeling ‘boven de norm’ zodanig ingevuld dat 80% van de beoordeelde competenties de score ‘uitstekend’ (4) moet hebben. De bevordering is bedoeld voor politieambtenaren die bovenmatig functioneren. Daarbij is aansluiting gezocht bij het beleid ten aanzien van het bevorderen bij excellerend presteren. Een medewerker kon op basis van dit beleid eerder bevorderd worden indien zijn functioneren als uitmuntend en voortreffelijk te kwalificeren was. In het Regionaal Management Team van het voormalige korps [naam regio] is de norm van ‘80% uitstekend’ na overleg met de ondernemingsraad vastgesteld. Er is voor een percentage gekozen, omdat meerdere functies met een verschillend aantal competenties op grond van het loopbaanbeleid HAP II voor bevordering in aanmerking kwamen. 1.5. Betrokkene heeft tijdens een functioneringsgesprek op 26 november 2012 verzocht om een beoordeling teneinde in aanmerking te komen voor bevordering naar de functie van senior GGP.
1.6.
Naar aanleiding van dit verzoek is op 5 september 2013 een conceptbeoordeling opgesteld. In de beoordeling zijn negentien competenties beoordeeld, waarvan er negen volgens de korpschef relevant zijn, te weten integriteit, professionaliteit/vakmanschap, klantgerichtheid, eigenstandigheid, collegialiteit, inlevingsvermogen, mondeling communiceren, organiseren van het werk en samenwerken. De beoordeling bevat tevens een potentieel-beoordeling waarin is opgenomen dat gesteld kan worden dat betrokkene in potentie geschikt is om door te stromen naar de naast hoger gelegen rang.
1.7.
Op 27 november 2013 heeft de districtschef de beoordeling vastgesteld. Uit de bij die beoordeling behorende bijlage van 26 november 2013 volgt dat de districtschef, overeenkomstig zijn voornemen hiertoe, waarop betrokkene en de beoordelaar hun zienswijze hebben gegeven, de door de beoordelaar opgemaakte conceptbeoordeling met toepassing van artikel 7, zevende lid, van het Beoordelingsreglement 2005 heeft gewijzigd. Aan die wijziging ligt ten grondslag dat de conceptbeoordeling niet in lijn is met het verslag van het functioneringsgesprek van 26 november 2012 over grotendeels dezelfde periode. De districtschef heeft ten aanzien van de competenties vakmanschap, klantgerichtheid, organiseren van het werk en samenwerken de door de beoordelaar toegekende scores 4 laten vervallen en gewijzigd in een score 3. Betrokkene scoort daardoor op acht van de negen relevante competenties ‘voldoende’ (3) en op één competentie ‘uitstekend’ (4).
1.8.
Bij besluit van 10 december 2013 heeft de korpschef afwijzend beslist op het verzoek om bevordering. Daaraan ligt ten grondslag dat de beoordeling niet voldoet aan de norm van ‘80% uitstekend’.
1.9.
Bij besluit van 8 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2013 ongegrond verklaard.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
2.2.
Aan het oordeel van de rechtbank ligt, samengevat, ten grondslag dat de korpschef de grenzen van zijn beoordelingsruimte heeft overschreden met het standpunt dat onder het vereiste van een beoordeling ‘boven de norm’ moet worden verstaan een beoordeling waarbij het geheel van de functievervulling voor 80% met ‘uitstekend’(4) gewaardeerd is. Nu niet in geschil is dat de norm ‘voldoende’(3) is, kan een beoordeling met een eindscore hoger dan voldoende niet in redelijkheid anders worden aangemerkt dan als een beoordeling ‘boven de norm’. Bij het ontbreken van een eindscore is van een beoordeling ‘boven de norm’ naar het oordeel van de rechtbank in beginsel sprake als op alle competenties in ieder geval een 3 wordt gescoord en als op meer dan de helft van de competenties hoger dan een 3 wordt gescoord. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten omdat geen sprake is van een beoordeling ‘boven de norm’. Betrokkene scoort slechts op één competentie hoger dan een ‘voldoende’ (score 3) en komt niet in aanmerking voor bevordering naar de functie van senior GGP.
3.1.
Het hoger beroep van de korpschef richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat een onjuiste invulling is gegeven aan het criterium ‘boven de norm’.
3.2.
Het incidenteel hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat bij het ontbreken van een eindscore de normering zodanig dient te worden gelegd, dat sprake is van een beoordeling boven de norm indien in beginsel op alle competenties in ieder geval een ‘voldoende’ (3) wordt gescoord en op meer dan de helft van de competenties een score hoger dan ‘voldoende’. Daaraan is nog toegevoegd dat volgens betrokkene ten onrechte uitsluitend is beslist op het bezwaar gericht tegen het niet bevorderen, nu betrokkene op 29 november 2013 op de beoordeling heeft aangetekend dat hij het niet eens is met de beoordeling en vasthoudt aan de oorspronkelijke beoordeling. Bovendien is volgens betrokkene de beoordeling niet opgemaakt aan de hand van het voor betrokkene geldende competentieprofiel. Tot slot is aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat de waardering bij de competenties vakmanschap, klantgerichtheid, organiseren van het werk en samenwerken niet in overeenstemming is met de waardering van deze competenties in het functioneringsverslag onvoldoende is om de waardering naar beneden bij te stellen. Het functioneringsverslag heeft betrekking op een korte periode vóór 26 november 2012, terwijl de beoordeling betrekking heeft op een veel langere periode.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2014 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2017.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) L.V. van Donk
HD