Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2015-07-08
ECLI:NL:CRVB:2015:2514
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
842 tokens
Inleiding
14/6000 WIA
Datum uitspraak: 8 juli 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
29 september 2014, 13/3882 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. De zaken 13/6837 WIA, 13/6838 WIA, 13/6843 WIA, 14/2828 WIA, 14/3851 ZW, 14/6000 WIA, 14/6001 WIA, 14/6332 WW en 14/6334 ZW zijn ter zitting gevoegd behandeld. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de zaken (waar nodig) gesplitst en wordt in de zaken (afzonderlijk) uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Voor een overzicht van de relevante feiten tot aan de aangevallen uitspraak verwijst de Raad naar de overwegingen 1 tot en met 5 van die uitspraak.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij geen aanleiding ziet om de berekening van de wettelijk rente, zoals nader door het Uwv toegelicht bij brief van
30 augustus 2013, voor onjuist te houden.
3. Appellante heeft hiertegen in het hoger beroepschrift - samengevat - aangevoerd dat de hoogte van haar WIA-uitkering te laag is vastgesteld en dat om die reden ook de wettelijke rente over de nabetaling te laag is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van heden in de zaak met nummer 14/2828 WIA, wordt geoordeeld dat het standpunt van appellante dat haar WIA-uitkering op een te laag bedrag is vastgesteld niet gevolgd wordt.
4.2.
Uitgaande van de juistheid van het basisbedrag van de WIA-uitkering, zoals genoemd in de brief van 30 augustus 2013 en onder verwijzing naar zijn rechtspraak over de berekening van de wettelijke rente, zoals deze is neergelegd in onder andere de uitspraken van 28 oktober 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU2160) en 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958), wordt appellante evenmin in haar standpunt gevolgd dat het bedrag aan wettelijke rente onjuist is vastgesteld.
4.3.
Gelet op wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat het Uwv terecht de wettelijke rente over de te laat betaalde WIA-uitkering over de maanden maart 2013 en april 2013 heeft vastgesteld op een bedrag van € 10,59.
4.4.
Het door appellante ingestelde hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor vergoeding is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en H.G. Rottier en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015.
(getekend) M. Greebe
(getekend) V. van Rij
NK