Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-06-08
ECLI:NL:CRVB:2016:2120
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,331 tokens
Inleiding
14/5043 WW
Datum uitspraak: 8 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
29 juli 2014, 13/6410 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E.E.M. Messink, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellant en mr. Messink zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
Overwegingen
1.1.
Bij brief van 22 oktober 2010, door het Uwv ontvangen op 26 oktober 2010, heeft appellant het Uwv verzocht om hem met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2008 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.2.
Bij besluit van 23 november 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 april 2008 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering tot uiterlijk 31 mei 2011. Het recht op
WW-uitkering over de periode gelegen vóór 26 weken voor de aanvraag van 22 oktober 2010 kan niet geldend worden gemaakt, zodat de uitkering wordt betaald vanaf 23 april 2010.
1.3.
Nadat appellant tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt heeft het Uwv op 25 februari 2011 besloten dat de WW-uitkering vanaf 1 april 2008 wordt uitbetaald.
1.4.
Appellant heeft bij brief van 20 april 2013 een klacht bij het Uwv ingediend. Hij heeft daarin gesteld dat hij als gevolg van de nabetaling van de WW-uitkering een hoge belastingaanslag over 2011 heeft gekregen. Nu het Uwv niet direct na zijn ontslag in 2008 een WW-uitkering heeft toegekend, stelt appellant het Uwv verantwoordelijk voor de hoge belastingaanslag.
1.5.
Het Uwv heeft de brief van 20 april 2013 in behandeling genomen als een verzoek om schadevergoeding en dit verzoek bij besluit van 12 juni 2013 afgewezen. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.6.
Bij beslissing op bezwaar van 25 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juni 2013 ongegrond verklaard.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot betaling van € 270,11 aan renteschade, verhoogd met de rente berekend over de periode van 22 februari 2014 tot de dag van uitbetaling voor zover uitbetaling na
22 februari 2014 heeft plaatsgevonden of plaatsvindt, alsmede tot vergoeding van € 169,- aan belastingschade. De rechtbank heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en heeft het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
2.2.
De rechtbank heeft overwogen dat niet meer in geschil is dat er grond is voor toekenning van een schadevergoeding in verband met het later uitbetalen van de WW-uitkering over de periode van 1 april 2008 tot en met 23 april 2010. Voor de berekening van de in beroep gevorderde renteschade heeft de rechtbank zich aangesloten bij de door het Uwv overgelegde berekening over de periode van 4 januari 2011 tot en met 20 februari 2014, resulterend in een rentebedrag van € 270,11. Er is geen grond voor vergoeding van renteschade over de periode vóór 4 januari 2011. Nu appellant eerst op 26 oktober 2010 een WW-uitkering heeft aangevraagd, is het Uwv – rekening houdend met een wettelijke beslistermijn van acht weken en een wettelijke betaaltermijn van zes weken – voor de berekening van de rente niet van een te late aanvangsdatum uitgegaan. Het Uwv is voorts terecht uitgegaan van de wettelijke rente en niet van handelsrente.
2.3.
Wat betreft de belastingschade heeft de rechtbank appellant gevolgd in zijn berekening dat bij een nabetaling van de WW-uitkering in 2010 een verzoek tot middeling tot een hogere belastingteruggave van € 169,- zou hebben geleid dan het door appellant gedane verzoek tot middeling op grond van de nabetaling in 2011. De rechtbank heeft niet het standpunt van appellant onderschreven dat hij ook schade heeft geleden als gevolg van de teruggaafdrempel die bij de middeling van inkomens in acht moet worden genomen.
2.4.
Bij de berekening van de proceskosten heeft de rechtbank geen vergoeding toegekend voor de door appellant gestelde kosten voor het inschakelen van een deskundige in de bezwaarfase, nu niet is gebleken dat appellant daarom heeft verzocht voordat op het bezwaar is beslist. Wat betreft de proceskosten in beroep heeft de rechtbank voor de door appellant ingeschakelde deskundige accountant een bedrag van € 116,09 toegekend, uitgaande van één uur verrichte werkzaamheden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant overgelegde factuur, die € 594,41 beloopt, niet het aantal uren vermeldt.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat wettelijke rente vanaf 1 april 2008 dient te worden vergoed, omdat hij de WW-uitkering vanaf dat moment zou hebben ontvangen als het Uwv van het begin af aan correct had gehandeld. Bovendien is tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure van de zijde van het Uwv toegezegd dat rente vanaf 1 april 2008 vergoed zal worden. Wat betreft de belastingschade stelt appellant dat het feit dat hij gebruik heeft gemaakt van de middelingsregeling onverlet laat dat hij als gevolg van de nabetaling meer belasting heeft moeten betalen dan wanneer de uitkering direct was betaald. Appellant is verder van mening dat de werkelijk gemaakte kosten van bijstand over de periode 2008 tot en met 2014 vergoed moeten worden. Dit betreft een factuur van [naam A], dat hem vanaf 2008 heeft geadviseerd. Ten slotte vordert appellant vergoeding van de volledige factuur van de accountant en heeft hiervan een urenspecificatie overgelegd.
3.2.
Bij brief van 12 april 2016 heeft appellant nadere stukken overgelegd. Hij heeft daarbij verzocht om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door het feit dat hij geen beslissing heeft gehad over zijn WW-uitkering in 2003 en 2004 en dat zijn WAO-uitkering in die periode niet correct is uitbetaald. Het Uwv heeft toegezegd dat een en ander zou worden nagekeken, maar is deze toezegging niet nagekomen.
3.3.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij het bestreden besluit heeft het Uwv gehandhaafd de weigering om naar aanleiding van de in 1.4 vermelde brief van 20 april 2013 aan appellant schadevergoeding toe te kennen. De in deze brief gestelde schade is het gevolg van het feit dat de op 26 oktober 2010 aangevraagde WW-uitkering aanvankelijk – bij besluit van 23 november 2010 – vanaf
23 april 2010 is toegekend en nadien – bij besluit van 25 februari 2011 – vanaf 1 april 2008, wat heeft geresulteerd in een nabetaling van de uitkering over de periode van 1 april 2008 tot
23 april 2010.
4.2.
Het Uwv is in beroep teruggekomen van deze weigering en heeft erkend schadeplichtig te zijn. Tegen de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de schadevergoeding heeft het Uwv geen hoger beroep ingesteld. Gelet hierop staat ter beoordeling of de in de aangevallen uitspraak vastgestelde schadevergoeding in rechte stand kan houden.
4.3.
Het onder 3.2 vermelde verzoek om schadevergoeding kan niet in de beoordeling worden betrokken. Deze door appellant gestelde schade is niet het gevolg van het besluit van
23 november 2010, dat de grondslag vormt voor de door appellant op 20 april 2013 verzochte schadevergoeding, waarop deze procedure betrekking heeft. Het onder 3.2 vermelde verzoek valt daarom buiten de omvang van het geding.
4.4.1.
Voor vergoeding van wettelijke rente over de nabetaalde uitkering met ingang van
1 april 2008 bestaat geen grond. De aanvraag om de WW-uitkering per 1 april 2008 is eerst op 26 oktober 2010 gedaan. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BU2160 en ECLI:NL:CRVB:2013:2910) gaat de wettelijke rente lopen op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand (of het andere tijdvak) waarop de periodieke betaling betrekking heeft.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en E. Dijt en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.S.E.S. Umans
MO