Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2014-06-17
ECLI:NL:CRVB:2014:2130
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,537 tokens
Inleiding
12/5959 WWB, 12/5960 WWB
Datum uitspraak: 17 juni 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van
25 september 2012, 12/288 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. J.D. Nijenhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellanten hebben nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Nijenhuis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.J. Krol.
Overwegingen
1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 20 januari 1998 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Bij de Afdeling Handhaving van de gemeente Leeuwarden is in oktober 2008 een melding binnengekomen, onder meer inhoudende dat appellant de woning aan de [adres] bezit en aldaar kamers verhuurt. Uit onderzoek van de Afdeling Handhaving is vervolgens naar voren gekomen dat niet appellant, maar diens zoon, [zoon appellant], de eigenaar is van de woning aan de [adres]. Naar aanleiding hiervan heeft de Sociale Recherche Fryslân (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, via de Officier van Justitie bankgegevens gevorderd en appellant verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 juni 2010.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
24 maart 2011 de algemene bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2011 en de bijzondere bijstand over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 maart 2011 in te trekken en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 135.800,67 van appellanten terug te vorderen.
1.4.
Bij besluit van 19 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2011 deels gegrond verklaard en zowel de bijzondere als de algemene bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2011 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 130.207,42 van appellanten teruggevorderd. De besluitvorming berust primair op de overweging dat appellanten door geen melding te maken van de activiteiten van appellant als toezichthouder/kamerverhuurder de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Subsidiair heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de tegoeden op de spaarrekeningen, behorende bij de bankrekening [bankrekening] ten name van [zoon appellant] en appellant
(en/of-rekening), van welke rekening appellanten geen melding hebben gemaakt bij het college, in de perioden van 9 februari 2006 tot 1 januari 2007 en van 14 juli 2009 tot en met 31 maart 2011 de voor appellanten toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschreden, zodat zij over die perioden geen recht hadden op bijstand.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het beroep van appellante ongegrond heeft verklaard. Alle gedragingen betreffen immers appellant. Deze gedragingen kan het college niet aan appellante toerekenen. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat appellant werkzaamheden heeft verricht. Gelet op de aard van de activiteiten en de zeer beperkte omvang ervan, zijn deze niet als het verrichten van werkzaamheden te kwalificeren. Appellant heeft zijn zoon bij wijze van familiedienst af en toe geholpen. Dit betekent dat appellant deze activiteiten niet hoefde te melden bij het college. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat appellant de beschikking had of redelijkerwijs kon beschikken over de tegoeden van de en/of -rekening en spaarrekeningen.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De beroepsgrond van appellanten dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden omdat het om marginale activiteiten gaat, die appellant bij wijze van familiedienst voor zijn zoon deed, slaagt niet. Uit het hoger beroepschrift en uit de door appellant tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring blijkt dat hij ten behoeve van de kamerverhuur door zijn zoon de vuilcontainers buitenzette, de timmerman of cv-installateur voor onderhoudswerkzaamheden binnenliet, correspondentieadres was voor de nutsvoorzieningen, gesprekken voerde met aspirant huurders en hun ouders, nieuwe huurders rondleidde in de woning, mee ging naar het gemeentekantoor om nieuwe huurders in te laten schrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, elke maand controleerde of de huurpenningen waren betaald, een oogje in het zeil hield of alles netjes bleef, herstelwerkzaamheden liet doen en de brievenbus leegde. Bovendien konden huurders bij hem terecht bijvoorbeeld als zij de huissleutel kwijt waren of niet bij zich hadden. Dit zijn zonder meer op geld waardeerbare activiteiten, die verder gaan dan een familiedienst van een vader voor zijn zoon.
4.2.
Het moet appellanten redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze werkzaamheden van invloed konden zijn op hun recht op bijstand. Door het college hiervan niet op de hoogte te stellen hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. De omstandigheid dat het college op de hoogte was van het feit dat een van de huurders
(de heer [X.]) de huur op de en/of -rekening stortte, doet aan het vorenstaande niet af. De stelling van appellanten dat appellante niet op de hoogte was van de werkzaamheden van appellant leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 9 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:953) worden in geval van gezinsbijstand de beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid gezien wat hun aanspraken en verplichtingen op grond van de WWB betreft. Daarom kan geen van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich met succes beroepen op onbekendheid met activiteiten en de financiële situatie van de ander.
4.3.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.4.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening worden gelaten. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.
4.5.
Het college heeft ter zitting van de Raad erkend dat het niet kan volhouden dat het recht op bijstand van appellanten over de gehele periode in geding, namelijk vanaf 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2011, niet schattenderwijs is vast te stellen met de onder 4.1 genoemde werkzaamheden. Het college heeft ter zitting van de Raad het standpunt ingenomen dat appellant naar schatting 15 uur per maand bezig is geweest met zijn werkzaamheden. Geen aanleiding bestaat om dit aantal uren op minder dan 15 per maand vast te stellen. Appellant had voor zijn werkzaamheden het toentertijd geldende minimumloon kunnen bedingen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 19 december 2011 voor zover dat ziet op de intrekking over de
perioden van 1 januari 2005 tot 9 februari 2006 en van 1 januari 2007 tot 14 juli 2009 en de
terugvordering;
- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van
24 maart 2011 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.948,-;
- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 156,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en
G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2014.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) A.C. Oomkens
HD