Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-07-07
ECLI:NL:CRVB:2020:1434
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,450 tokens
Inleiding
182684 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 april 2018, 17/1247 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân (college)
Datum uitspraak: 7 juli 2020
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.A. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2020. Namens appellant is verschenen mr. Jansen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.J. Boorsma.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 11 juni 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van de verhuizing van appellant heeft een toezichthouder van de gemeente Súdwest-Fryslân een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de toezichthouder onder meer dossieronderzoek verricht, internetonderzoek gedaan, informatie opgevraagd bij de Kamer van Koophandel (KvK) en appellant op 9 augustus 2016 gehoord. Op de website van het bedrijf [naam bedrijf] (bedrijf) staan bij de contactpersonen de naam en het telefoonnummer van appellant en van de vriendin van appellant vermeld. Uit de gegevens van de KvK blijkt dat het bedrijf sinds 9 augustus 2013 is gevestigd op het adres van de vriendin van appellant, die geregistreerd staat als algemeen directeur. Verder staat appellant met zijn telefoonnummer op de website van de VVV vermeld als contactpersoon van het bedrijf. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 augustus 2016.
1.3.
Bij besluit van 24 augustus 2016, gewijzigd bij besluit van 6 september 2016 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 februari 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2014 ingetrokken en de over de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 juli 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 31.340,70 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door hem verrichte werkzaamheden ten behoeve van het bedrijf. Appellant heeft zijn werkzaamheden voor het bedrijf onvoldoende inzichtelijk gemaakt waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
2.1.
Bij brief van 1 september 2017 heeft het college een nader standpunt ingenomen en gesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen op grond van de overgelegde boekhouding en de verklaring van de vriendin van appellant, maar dat daaruit wel kan worden afgeleid dat de werkzaamheden van het bedrijf geen volledige kalenderjaren in beslag nemen, dat in 2014 weinig werkzaamheden zijn verricht en dat de werkzaamheden zich vooral voordeden bij de theaterarrangementen ‘ [naam arrangement] ’. Daarnaast heeft appellant in december 2015 meer dan een paar uurtjes verricht voor het winterklaar maken van de [objecten]. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de bijstand zou moeten worden beperkt tot de maanden juni, augustus en december 2015, mei, juni, juli en augustus 2016 en het bedrag van de terugvordering zou kunnen worden vastgesteld op een bedrag van € 6.500,44.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de intrekking van de bijstand is gehandhaafd over de periodes van 1 mei 2014 tot 1 juni 2015, van 1 juli 2015 tot 1 augustus 2015, van 1 september 2015 tot 1 december 2015 en van 1 januari 2016 tot 1 mei 2016 en voor zover daarbij de terugvordering van € 31.340,70 is gehandhaafd en het besluit van 6 september 2016 herroepen, voor zover daarbij de bijstandsuitkering over eerdergenoemde periodes is ingetrokken en € 31.340,70 is teruggevorderd, het terugvorderingsbedrag bepaald op € 6.500,44 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd. De rechtbank heeft verder het college veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep voor verleende rechtsbijstand en het college opgedragen het griffierecht in beroep aan appellant te vergoeden.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat op grond van de ingediende stukken en de verklaring van zijn vriendin ook voor de resterende maanden het recht op bijstand schattenderwijs is vast te stellen. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de kosten in bezwaar.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Gelet op het verhandelde ter zitting is niet langer in geschil dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van zijn werkzaamheden voor het bedrijf. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of het recht op bijstand in de maanden juni 2015, augustus 2015, december 2015, en mei 2016 tot en met augustus 2016 (te beoordelen maanden) schattenderwijs kan worden vastgesteld.
4.2.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.3.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door betrokkene achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie, indien mogelijk, gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben. Die vaststelling moet gebeuren op basis van vaststaande feiten en omstandigheden. Hierbij mag een mogelijk nadeel veroorzaakt door resterende onzekerheden voor rekening van betrokkene gelaten worden, omdat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Vergelijk de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852. Dan is geen sprake van intrekking van het recht op bijstand, maar van de minder vergaande herziening daarvan.
4.4.
Appellant heeft geen deugdelijke administratie of boekhouding overgelegd waaruit de omvang de werkzaamheden ten behoeve van het bedrijf in de te beoordelen maanden valt af te leiden. De boekhouding van het bedrijf en de verklaring van de vriendin van appellant bieden daartoe onvoldoende houvast. De ter zitting namens appellant voorgehouden berekening, waarbij als uitgangspunt is genomen dat de werkzaamheden zich alleen hebben voorgedaan op de dagen waarop theaterarrangementen waren georganiseerd en op één onderhoudsdag in december 2015, heeft appellant evenmin toereikend onderbouwd. Het college heeft er terecht op gewezen dat appellant op 9 augustus 2016 heeft verklaard dat hij hand- en spandiensten verricht, zoals de telefoon opnemen, boekingen aannemen en schoonmaken. Ook heeft appellant verklaard dat hij wel eens vaart als zijn gezondheid dat toelaat. Uit het internetonderzoek is verder gebleken dat op de website van het bedrijf de contactgegevens van appellant stonden vermeld en ook op de website van de VVV stond appellant als contactpersoon vermeld. Daarbij komt dat in de overgelegde boekhouding van het bedrijf naast de vermeldingen ‘ [naam arrangement] ’ op verschillende data in de te beoordelen maanden ook onder meer [diverse activiteiten]’ staan vermeld. De stelling van appellant dat zijn werkzaamheden beperkt waren tot de dagen van de theaterarrangementen, heeft appellant niet onderbouwd en - gelet op het voorgaande - ook niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat - anders dan appellant heeft aangevoerd - het recht op bijstand in de te beoordelen maanden niet schattenderwijs kan worden vastgesteld. Het college was daarom gehouden de bijstand over de te beoordelen maanden in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen van appellant.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin het college niet is veroordeeld in de kosten van het bezwaar;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 1.050,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.050,-, totaal € 2.100,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van Y. Al Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2020.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) Y. Al Qaq