Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2007-10-23
ECLI:NL:CRVB:2007:BB6752
Bestuursrecht
06/6608 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 10 oktober 2006, 06/237 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: College) Datum uitspraak: 23 oktober 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2007. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. ten Cate, werkzaam bij de gemeente Hengelo. II. OVERWEGINGEN Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en het College als verweerder - ontleent de Raad de volgende in dit hoger beroep van belang zijnde feiten en omstandigheden: “Eiser is sinds 1987 bekend bij de dienst Sociale Zaken en Welzijn te Hengelo. Hij ontvangt, met een enkele onderbreking, sinds februari 1987 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW), vervolgens een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en aansluitend een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). De gemeente Hengelo heeft diverse vorderingen op de eiser, waaronder: ? een vordering wegens ten onrechte ontvangen uitkering ad Eur 5.811,57, restant Eur 3.290,59; ? een vordering wegens ten onrechte ontvangen uitkering ad Eur 23.385,09, restant Eur 17.705,04. De eerstgenoemde vordering (wegens fraude) is op 12 maart 1990 door rechtbank Almelo, Meervoudige Kamer voor Burgerlijke Zaken, vastgesteld op een bedrag van f 12.807,02 (Eur 5.811,57). Daarbij is bepaald dat eiser met ingang van 1 april 1990 maandelijks f 170,-- (Eur 77,14) dient te voldoen totdat het totaalbedrag volledig is voldaan. De tweede vordering (wegens fraude) is op 19 maart 1997 vastgesteld door het Kantongerecht te Enschede op een bedrag van f 51.533,94 (Eur 23.385,09). Hierbij is bepaald dat eiser per 1 april 1997 maandelijks het maximaal voor beslag vatbare bedrag dient te betalen totdat de totaalsom is voldaan. Bij brief van 25 maart 1997 heeft verweerder eiser verzocht laatstgenoemd bedrag te voldoen. Bij die brief is tevens aangegeven dat als betaling ineens niet mogelijk is, omdat eiser reeds f 170,-- (Eur 77,14) per maand aflost op een andere vordering, terzake van de onderhavige vordering van hem voorlopig geen periodieke betaling wordt gevorderd. Bij besluit van 21 december 1998 deelt verweerder eiser (onder meer) mede dat een vordering van f 417,02 (Eur 189,23), waarover aan hem is bericht bij beschikking van 15 oktober 1997, van hem wordt teruggevorderd. Bij dat besluit is tevens meegedeeld dat vanaf 1 december 1998 maandelijks een bedrag van f 30,-- (Eur 13,61) op eisers uitkering wordt ingehouden ter aflossing van deze schuld. Bij besluit van 12 mei 1999 heeft verweerder eiser, naast de beëindiging van de uitkering vanaf 1 maart 1999, meegedeeld dat hij nog een fraudevordering van f 58.585,27 (Eur 26.584,84) heeft openstaan en een vordering van f 357,02 (Eur 162,01) in verband met teveel ontvangen uitkering. Verweerder verzoekt eiser op deze totale schuld ingaande 1 juni 1999 met f 200,-- (Eur 90,76) per maand af te lossen.(…) Vervolgens heeft op 27 april 2005 wederom een heronderzoek plaatsgevonden. Daarbij is geconstateerd dat er per abuis met ingang van 1 augustus 2004 een eind is gekomen aan de aflossing van de vorderingen. Voorgesteld wordt om met ingang van 1 mei 2005 de aflossing van 10 % van de norm (=Eur 81,64) te hervatten. Dit onderzoek heeft geleid tot verweerders besluit van 20 mei 2005, verzonden 26 mei 2005, waarin eiser wederom (onder meer) wordt meegedeeld dat er geen veranderingen zijn die van belang zijn voor het recht op uitkering en dat daarom de uitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Bij brief van 12 juli 2005 heeft eiser verweerder om informatie gevraagd over de inhoudingen ad Eur 81,64 op de betalingen van de maanden mei en juni 2005, onder de noemer “aflossing vorderingen”. Bij brief van 15 juli 2005 heeft verweerder eiser, in antwoord op de hiervoor vermelde brief, meegedeeld dat hij bij de GSD nog een totale schuld ter hoogte van Eur 21.481,96 heeft. Bij die brief heeft verweerder eiser voorts meegedeeld dat dit betreft een vordering ontstaan in de periode 17 februari 1987 tot 1 oktober 1990 ad Eur 18.031,60, een vordering ontstaan in de periode 1995 ad Eur 3.290,59 en een vordering ontstaan in de periode 1 december 1996 tot 31 oktober 1997 ad Eur 159,77. Bij die brief is verder meegedeeld dat eiser over deze vorderingen beschikkingen heeft ontvangen en dat hij jaarlijks op de hoogte wordt gehouden van de openstaande schulden. Ten slotte deelt verweerder mee dat eiser al reeds lange tijd op deze vordering aflost, maar dat met ingang van 1 augustus 2004 per abuis een eind is gekomen aan de aflossing en dat deze met ingang van 1 mei 2005 weer is gecontinueerd. Bij schrijven van 19 juli 2005 heeft eiser tegen deze brief een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Eiser heeft bezwaren tegen de hervatting van de inhoudingen op zijn betalingen.”. Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit tot hervatting van de invordering ongegrond verklaard. Bij dat besluit is de hoogte van het af te lossen bedrag gewijzigd. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 januari 2006 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze ongegrondverklaring gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Op grond van de uitspraken van de rechtbank Almelo van 12 maart 1990 en van de kantonrechter te Enschede van 19 maart 1997 staat vast dat appellant gehouden is om kosten van bijstand aan het College terug te betalen. Vanaf 1 januari 2004 ontleent het College aan artikel 60, eerste lid, van de Wet werk en bijstand de bevoegdheid om over te gaan tot invordering van kosten van bijstand verleend over voor die datum gelegen tijdvakken.