Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-10-15
ECLI:NL:CBB:2024:704
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,424 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/892
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 25 november 2022 heeft de minister de aan de ondernemer verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het te veel betaalde voorschot van € 2.156,40 teruggevorderd.
Met het besluit van 10 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste dat zij ten minste 20% omzetverlies heeft geleden.
3 De ondernemer voert aan dat zij het niet eens is met de omzetgegevens die de minister gebruikt. Zij stelt dat haar omzetverlies in Q4 van 2021 meer dan 20% was, waardoor zij aan alle vereisten uit de TVL voldoet en recht heeft op subsidie voor dat kwartaal. De ondernemer heeft een damesmodezaak. Daarnaast heeft zij een aantal panden in bezit, die zij in het verleden privé heeft aangekocht. De huuropbrengsten uit deze privépanden hebben niets te maken met de onderneming, deze vallen alleen om praktische redenen onder dezelfde KvK-inschrijving en zouden daarom niet tot de omzet moeten worden gerekend.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de huuropbrengsten niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag immers wel tot de omzet. De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruikmaken van zijn bevoegdheid om de subsidie voor Q4 van 2021 op € 0,- vast te stellen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/892
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 25 november 2022 heeft de minister de aan de ondernemer verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het te veel betaalde voorschot van € 2.156,40 teruggevorderd.
Met het besluit van 10 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste dat zij ten minste 20% omzetverlies heeft geleden.
3 De ondernemer voert aan dat zij het niet eens is met de omzetgegevens die de minister gebruikt. Zij stelt dat haar omzetverlies in Q4 van 2021 meer dan 20% was, waardoor zij aan alle vereisten uit de TVL voldoet en recht heeft op subsidie voor dat kwartaal. De ondernemer heeft een damesmodezaak. Daarnaast heeft zij een aantal panden in bezit, die zij in het verleden privé heeft aangekocht. De huuropbrengsten uit deze privépanden hebben niets te maken met de onderneming, deze vallen alleen om praktische redenen onder dezelfde KvK-inschrijving en zouden daarom niet tot de omzet moeten worden gerekend.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de huuropbrengsten niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag immers wel tot de omzet. De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruikmaken van zijn bevoegdheid om de subsidie voor Q4 van 2021 op € 0,- vast te stellen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/892
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 25 november 2022 heeft de minister de aan de ondernemer verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het te veel betaalde voorschot van € 2.156,40 teruggevorderd.
Met het besluit van 10 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste dat zij ten minste 20% omzetverlies heeft geleden.
3 De ondernemer voert aan dat zij het niet eens is met de omzetgegevens die de minister gebruikt. Zij stelt dat haar omzetverlies in Q4 van 2021 meer dan 20% was, waardoor zij aan alle vereisten uit de TVL voldoet en recht heeft op subsidie voor dat kwartaal. De ondernemer heeft een damesmodezaak. Daarnaast heeft zij een aantal panden in bezit, die zij in het verleden privé heeft aangekocht. De huuropbrengsten uit deze privépanden hebben niets te maken met de onderneming, deze vallen alleen om praktische redenen onder dezelfde KvK-inschrijving en zouden daarom niet tot de omzet moeten worden gerekend.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de huuropbrengsten niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag immers wel tot de omzet. De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruikmaken van zijn bevoegdheid om de subsidie voor Q4 van 2021 op € 0,- vast te stellen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/892
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 25 november 2022 heeft de minister de aan de ondernemer verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het te veel betaalde voorschot van € 2.156,40 teruggevorderd.
Met het besluit van 10 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste dat zij ten minste 20% omzetverlies heeft geleden.
3 De ondernemer voert aan dat zij het niet eens is met de omzetgegevens die de minister gebruikt. Zij stelt dat haar omzetverlies in Q4 van 2021 meer dan 20% was, waardoor zij aan alle vereisten uit de TVL voldoet en recht heeft op subsidie voor dat kwartaal. De ondernemer heeft een damesmodezaak. Daarnaast heeft zij een aantal panden in bezit, die zij in het verleden privé heeft aangekocht. De huuropbrengsten uit deze privépanden hebben niets te maken met de onderneming, deze vallen alleen om praktische redenen onder dezelfde KvK-inschrijving en zouden daarom niet tot de omzet moeten worden gerekend.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de huuropbrengsten niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag immers wel tot de omzet. De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruikmaken van zijn bevoegdheid om de subsidie voor Q4 van 2021 op € 0,- vast te stellen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.