Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-03-25
ECLI:NL:CBB:2024:281
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,435 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 22/2523 en 22/2524
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming), vertegenwoordigd door [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De onderneming voert aan dat de minister ten onrechte bij de berekening van de omzet in de subsidieperiodes is uitgegaan van de aangiften omzetbelasting. De omzet uit de aangiften omzetbelasting geeft geen juist beeld van de werkelijke omzet in die periodes.
2 Het College geeft de onderneming geen gelijk. Het College heeft in andere zaken, waaronder de uitspraak van 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323) en de uitspraak van 19 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:200), al geoordeeld dat alleen als een onderneming niet over haar hele omzet omzetbelasting betaalt, kan worden gekeken naar de financiële administratie. Die uitzondering is hier niet van toepassing. Dit betekent dat de minister terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. Wat door de onderneming is aangevoerd, is geen reden om in dit geval anders te oordelen.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de onderneming niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister heeft daarom terecht de subsidie voor Q4 van 2020 vastgesteld op nihil en de subsidie voor Q1 van 2021 lager vastgesteld.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 22/2523 en 22/2524
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming), vertegenwoordigd door [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De onderneming voert aan dat de minister ten onrechte bij de berekening van de omzet in de subsidieperiodes is uitgegaan van de aangiften omzetbelasting. De omzet uit de aangiften omzetbelasting geeft geen juist beeld van de werkelijke omzet in die periodes.
2 Het College geeft de onderneming geen gelijk. Het College heeft in andere zaken, waaronder de uitspraak van 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323) en de uitspraak van 19 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:200), al geoordeeld dat alleen als een onderneming niet over haar hele omzet omzetbelasting betaalt, kan worden gekeken naar de financiële administratie. Die uitzondering is hier niet van toepassing. Dit betekent dat de minister terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. Wat door de onderneming is aangevoerd, is geen reden om in dit geval anders te oordelen.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de onderneming niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister heeft daarom terecht de subsidie voor Q4 van 2020 vastgesteld op nihil en de subsidie voor Q1 van 2021 lager vastgesteld.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 22/2523 en 22/2524
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming), vertegenwoordigd door [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De onderneming voert aan dat de minister ten onrechte bij de berekening van de omzet in de subsidieperiodes is uitgegaan van de aangiften omzetbelasting. De omzet uit de aangiften omzetbelasting geeft geen juist beeld van de werkelijke omzet in die periodes.
2 Het College geeft de onderneming geen gelijk. Het College heeft in andere zaken, waaronder de uitspraak van 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323) en de uitspraak van 19 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:200), al geoordeeld dat alleen als een onderneming niet over haar hele omzet omzetbelasting betaalt, kan worden gekeken naar de financiële administratie. Die uitzondering is hier niet van toepassing. Dit betekent dat de minister terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. Wat door de onderneming is aangevoerd, is geen reden om in dit geval anders te oordelen.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de onderneming niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister heeft daarom terecht de subsidie voor Q4 van 2020 vastgesteld op nihil en de subsidie voor Q1 van 2021 lager vastgesteld.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 22/2523 en 22/2524
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming), vertegenwoordigd door [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De onderneming voert aan dat de minister ten onrechte bij de berekening van de omzet in de subsidieperiodes is uitgegaan van de aangiften omzetbelasting. De omzet uit de aangiften omzetbelasting geeft geen juist beeld van de werkelijke omzet in die periodes.
2 Het College geeft de onderneming geen gelijk. Het College heeft in andere zaken, waaronder de uitspraak van 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323) en de uitspraak van 19 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:200), al geoordeeld dat alleen als een onderneming niet over haar hele omzet omzetbelasting betaalt, kan worden gekeken naar de financiële administratie. Die uitzondering is hier niet van toepassing. Dit betekent dat de minister terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. Wat door de onderneming is aangevoerd, is geen reden om in dit geval anders te oordelen.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de onderneming niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister heeft daarom terecht de subsidie voor Q4 van 2020 vastgesteld op nihil en de subsidie voor Q1 van 2021 lager vastgesteld.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 22/2523 en 22/2524
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming), vertegenwoordigd door [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De onderneming voert aan dat de minister ten onrechte bij de berekening van de omzet in de subsidieperiodes is uitgegaan van de aangiften omzetbelasting. De omzet uit de aangiften omzetbelasting geeft geen juist beeld van de werkelijke omzet in die periodes.
2 Het College geeft de onderneming geen gelijk. Het College heeft in andere zaken, waaronder de uitspraak van 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323) en de uitspraak van 19 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:200), al geoordeeld dat alleen als een onderneming niet over haar hele omzet omzetbelasting betaalt, kan worden gekeken naar de financiële administratie. Die uitzondering is hier niet van toepassing. Dit betekent dat de minister terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. Wat door de onderneming is aangevoerd, is geen reden om in dit geval anders te oordelen.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de onderneming niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister heeft daarom terecht de subsidie voor Q4 van 2020 vastgesteld op nihil en de subsidie voor Q1 van 2021 lager vastgesteld.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems