Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:6760
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
5,830 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer / rekestnummer: 11470675 \ AZ VERZ 24-87
Beschikking van 17 april 2025
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand,
tegen
[verweerder] U.A.,
te [plaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. G.P. Oberman.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkneemster om werkgever te veroordelen tot betaling van een (schade)vergoeding gelijk aan de wettelijke transitievergoeding van € 10.613,16 bruto nadat de arbeidsovereenkomst op grond van de toepasselijke cao van rechstwege is geëindigd op 18 november 2024 wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat niet aan de ‘Xella-eisen’ is voldaan. Immers, werknemer heeft niet tijdig verzocht om beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
2.1.
[verzoeker], geboren 18 november 1957, is op 1 juli 2003 in dienst getreden bij [verweerder]. De functie van [verzoeker] was servicemedewerker met als laatste loon € 19,80 bruto per uur, exclusief emolumenten en een arbeidsomvang van gemiddeld 28 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao VVT van toepassing.
2.2.
Na verschillende langdurige periodes van ziekte is aan [verzoeker] per 17 mei 2018 een WIA-uitkering toegekend. Daarna is het dienstverband voor 15 uur voortgezet.
2.3.
Op 9 oktober 2022 is [verzoeker] wegens ziekte volledig uitgevallen voor haar werkzaamheden.
2.4.
Op 22 december 2023 stuurt [verweerder] [verzoeker] een e-mailbericht ter bevestiging van een gesprek dat partijen die dag met elkaar hebben gehad over verschillende opties wat betreft de toekomst van [verzoeker] bij [verweerder]. Uiteindelijk heeft [verzoeker] wegens arbeidsongeschiktheid niet meer bij [verweerder] gewerkt en heeft zij (deels) verlof ingezet. Daarover heeft de gemachtigde van [verzoeker] [verweerder] op 1 oktober 2024 een e-mailbericht gestuurd, waarop [verweerder] bij e-mailbericht van 14 oktober 2024 een inhoudelijke reactie heeft gegeven. Vervolgens heeft de gemachtigde van [verzoeker] in een tweetal e-mailberichten van 18 november 2024 laten weten dat [verzoeker] aanspraak maakt op de wettelijke transitievergoeding en dat [verweerder] gehouden is om middels een vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding.
2.5.
Op 18 november 2024 is de arbeidsovereenkomst op grond van de cao van rechtswege geëindigd wegens het bereiken van AOW-gerechtigde leeftijd.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een (schade)vergoeding gelijk aan de wettelijke transitievergoeding van € 10.613,16 bruto met nevenvorderingen. Volgens [verzoeker] heeft zij op grond van de Xella-beslissing recht op deze vergoeding.
3.2.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] voert aan dat niet aan de vereisten uit voormelde Xella-beslissing is voldaan.
Beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van een zogenoemde Xella-vergoeding. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat er (in ieder geval) vanaf 9 oktober 2024 sprake was van een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van [verzoeker]. Dat brengt op grond van de Xella-beslissing mee dat [verweerder] als goed werkgever gehouden was om in te stemmen met een voorstel van [verzoeker] tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan [verzoeker] ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Een dergelijk voorstel kon [verzoeker] doen tot 18 november 2024, aangezien haar arbeidsovereenkomst op die dag van rechtswege is geëindigd. Daarom kon de arbeidsovereenkomst vanaf die dag niet meer met wederzijds goedvinden beëindigd worden.
4.3.
De door [verzoeker] verzochte vergoeding kan dus (alleen) kan worden toegewezen als er sprake is van een i) tijdig ii) verzoek van [verzoeker] iii) ter beëindiging van haar (slapende) arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden iv) met toekenning van de wettelijke transitievergoeding.
4.4.
[verzoeker] stelt dat aan deze vereisten is voldaan. Zij wijst in dit kader op twee momenten. Op de eerste plaats doet [verzoeker] een beroep op het e-mailbericht van [verweerder] van 22 december 2023. In dat bericht staat dat partijen op die dag twee opties van [verweerder] en een voorstel van [verzoeker] hebben besproken. De opties van [verweerder] betroffen a) een herstelmelding vanaf januari 2024 met vrijstelling van werk tot die datum en b) geen herstelmelding, maar voortzetting van de re-integratie-activiteiten en 70% loondoorbetaling. Tot slot was het voorstel van [verzoeker] om in verzuim te blijven met re-integratie-verplichtingen en inzet van verlofuren ter aanvulling van de 70% loondoorbetaling tot aan het moment van volledige werkhervatting. De kantonrechter overweegt dat deze opties c.q. voorstellen alle drie uitgaan van voortzetting van het dienstverband, zodat aan de vereisten van een verzoek van [verzoeker] ter beëindiging van haar (slapende) arbeidsovereenkomst geen sprake is. Daarom kan op grond van dit bericht van 22 december 2023 de door [verzoeker] verzochte vergoeding naar het oordeel van de kantonrechter niet toegewezen worden.
4.5.
Op de tweede plaats doet [verzoeker] een beroep op de e-mailberichten van haar gemachtigde van 18 november 2024. Maar ook op grond van die berichten kan de door [verzoeker] verzochte vergoeding naar het oordeel van de kantonrechter niet worden toegewezen. Weliswaar verzoekt de gemachtigde van [verzoeker] in die berichten om het slapende dienstverband van [verzoeker] met wederzijds goedvinden te beëindigen met toekenning van de wettelijke transitievergoeding, maar de kantonrechter is van oordeel dat dit verzoek op 18 november 2024 te laat is gedaan. Weliswaar betekent ‘de arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege op 18 november 2024’ zuiver taalkundig dat iemand zijn laatste werkdag heeft op 18 november 2024 en dat de betreffende arbeidsovereenkomst ook op 18 november 2024 afloopt, zoals 31 december 2024 de laatste dag van het jaar is en het jaar ook op 31 december 2024 afloopt. Echter, tussen partijen staat vast dat [verzoeker] haar AOW-uitkering ontvangt met ingang van 18 november 2024. Over 18 november 2024 heeft [verzoeker] AOW-uitkering ontvangen. Dat betekent dat de laatste dag van de arbeidsovereenkomst 17 november 2024 was en dat [verzoeker] dus met ingang van 18 november 2024 niet meer bij [verweerder] in dienst was. Op het moment dat de gemachtigde van [verzoeker] in zijn e-mailberichten van 18 november 2024 verzocht om de arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst te beëindigen, bestond de arbeidsovereenkomst al niet meer, zodat niet is voldaan aan het vereiste om het verzoek tijdig te doen.
4.6.
Het beroep van [verzoeker] op een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 januari 2024 gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Weliswaar had de werknemer in die zaak wel recht op een vergoeding, ondanks dat die werknemer inmiddels ook al uit dienst was wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, maar het essentiële verschil met onderhavige zaak is dat in die zaak de werknemer wel tijdig het verzoek had gedaan. Het gerechtshof overweegt daarover als volgt: “overweegt daarbij dat het in deze zaak gaat om een werknemer die ná publicatie van de Wet compensatie transitievergoeding én voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte zijn werkgever daadwerkelijk heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding”. Aangezien de kantonrechter hiervoor heeft vastgesteld dat [verzoeker] haar verzoek pas heeft gedaan, nadat zij de AOW-gerechtigde leeftijd had bereikt, slaagt het beroep van [verzoeker] op voormeld arrest niet.
4.7.
Tot slot stelt [verzoeker] dat op [verweerder] als goed werkgever de verplichting rustte om [verzoeker] te informeren over haar rechtspositie bij een slapend dienstverband en – los van het bestaan van een beëindigingsverzoek verzoek van [verzoeker] als werknemer de voor haar meest voordelige wijze van beëindiging kiest, zeker als [verweerder] als werkgever daarvoor gecompenseerd kan worden. De kantonrechter ziet geen grondslag voor dergelijke verplichtingen aan de zijde van werkgever. Immers, het uitgangspunt is dat een werkgever niet hoeft in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. In de Xella-beslissing is onder strikte voorwaarden een uitzondering op deze hoofdregel geformuleerd. Onderdeel van deze voorwaarden is dat werknemer (tijdig) een beëindigingsvoorstel doet. Dat brengt mee dat op werkgever geen (informatie)verplichting rust en dat werkgever niet op eigen initiatief in actie hoeft te komen als een (tijdig) verzoek van werknemer ontbreekt. Dat geldt temeer als werknemer wordt bijgestaan door een professionele gemachtigde op het gebied van arbeidsrecht, zoals in deze zaak het geval is.
4.8.
Gelet op al het voorgaande zal de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een (schade)vergoeding gelijk aan de wettelijke transitievergoeding van € 10.613,16 bruto met nevenvorderingen afwijzen.
4.9.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat [verzoeker] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten).
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.
ECLI:NL:HR:2019:1734
ECLI:NL:GHSHE:2020:31
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer / rekestnummer: 11470675 \ AZ VERZ 24-87
Beschikking van 17 april 2025
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand,
tegen
[verweerder] U.A.,
te [plaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. G.P. Oberman.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkneemster om werkgever te veroordelen tot betaling van een (schade)vergoeding gelijk aan de wettelijke transitievergoeding van € 10.613,16 bruto nadat de arbeidsovereenkomst op grond van de toepasselijke cao van rechstwege is geëindigd op 18 november 2024 wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat niet aan de ‘Xella-eisen’ is voldaan. Immers, werknemer heeft niet tijdig verzocht om beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
2.1.
[verzoeker], geboren 18 november 1957, is op 1 juli 2003 in dienst getreden bij [verweerder]. De functie van [verzoeker] was servicemedewerker met als laatste loon € 19,80 bruto per uur, exclusief emolumenten en een arbeidsomvang van gemiddeld 28 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao VVT van toepassing.
2.2.
Na verschillende langdurige periodes van ziekte is aan [verzoeker] per 17 mei 2018 een WIA-uitkering toegekend. Daarna is het dienstverband voor 15 uur voortgezet.
2.3.
Op 9 oktober 2022 is [verzoeker] wegens ziekte volledig uitgevallen voor haar werkzaamheden.
2.4.
Op 22 december 2023 stuurt [verweerder] [verzoeker] een e-mailbericht ter bevestiging van een gesprek dat partijen die dag met elkaar hebben gehad over verschillende opties wat betreft de toekomst van [verzoeker] bij [verweerder]. Uiteindelijk heeft [verzoeker] wegens arbeidsongeschiktheid niet meer bij [verweerder] gewerkt en heeft zij (deels) verlof ingezet. Daarover heeft de gemachtigde van [verzoeker] [verweerder] op 1 oktober 2024 een e-mailbericht gestuurd, waarop [verweerder] bij e-mailbericht van 14 oktober 2024 een inhoudelijke reactie heeft gegeven. Vervolgens heeft de gemachtigde van [verzoeker] in een tweetal e-mailberichten van 18 november 2024 laten weten dat [verzoeker] aanspraak maakt op de wettelijke transitievergoeding en dat [verweerder] gehouden is om middels een vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding.
2.5.
Op 18 november 2024 is de arbeidsovereenkomst op grond van de cao van rechtswege geëindigd wegens het bereiken van AOW-gerechtigde leeftijd.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een (schade)vergoeding gelijk aan de wettelijke transitievergoeding van € 10.613,16 bruto met nevenvorderingen. Volgens [verzoeker] heeft zij op grond van de Xella-beslissing recht op deze vergoeding.
3.2.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] voert aan dat niet aan de vereisten uit voormelde Xella-beslissing is voldaan.
Beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van een zogenoemde Xella-vergoeding. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat er (in ieder geval) vanaf 9 oktober 2024 sprake was van een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van [verzoeker]. Dat brengt op grond van de Xella-beslissing mee dat [verweerder] als goed werkgever gehouden was om in te stemmen met een voorstel van [verzoeker] tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan [verzoeker] ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Een dergelijk voorstel kon [verzoeker] doen tot 18 november 2024, aangezien haar arbeidsovereenkomst op die dag van rechtswege is geëindigd. Daarom kon de arbeidsovereenkomst vanaf die dag niet meer met wederzijds goedvinden beëindigd worden.
4.3.
De door [verzoeker] verzochte vergoeding kan dus (alleen) kan worden toegewezen als er sprake is van een i) tijdig ii) verzoek van [verzoeker] iii) ter beëindiging van haar (slapende) arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden iv) met toekenning van de wettelijke transitievergoeding.
4.4.
[verzoeker] stelt dat aan deze vereisten is voldaan. Zij wijst in dit kader op twee momenten. Op de eerste plaats doet [verzoeker] een beroep op het e-mailbericht van [verweerder] van 22 december 2023. In dat bericht staat dat partijen op die dag twee opties van [verweerder] en een voorstel van [verzoeker] hebben besproken. De opties van [verweerder] betroffen a) een herstelmelding vanaf januari 2024 met vrijstelling van werk tot die datum en b) geen herstelmelding, maar voortzetting van de re-integratie-activiteiten en 70% loondoorbetaling. Tot slot was het voorstel van [verzoeker] om in verzuim te blijven met re-integratie-verplichtingen en inzet van verlofuren ter aanvulling van de 70% loondoorbetaling tot aan het moment van volledige werkhervatting. De kantonrechter overweegt dat deze opties c.q. voorstellen alle drie uitgaan van voortzetting van het dienstverband, zodat aan de vereisten van een verzoek van [verzoeker] ter beëindiging van haar (slapende) arbeidsovereenkomst geen sprake is. Daarom kan op grond van dit bericht van 22 december 2023 de door [verzoeker] verzochte vergoeding naar het oordeel van de kantonrechter niet toegewezen worden.
4.5.
Op de tweede plaats doet [verzoeker] een beroep op de e-mailberichten van haar gemachtigde van 18 november 2024. Maar ook op grond van die berichten kan de door [verzoeker] verzochte vergoeding naar het oordeel van de kantonrechter niet worden toegewezen. Weliswaar verzoekt de gemachtigde van [verzoeker] in die berichten om het slapende dienstverband van [verzoeker] met wederzijds goedvinden te beëindigen met toekenning van de wettelijke transitievergoeding, maar de kantonrechter is van oordeel dat dit verzoek op 18 november 2024 te laat is gedaan. Weliswaar betekent ‘de arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege op 18 november 2024’ zuiver taalkundig dat iemand zijn laatste werkdag heeft op 18 november 2024 en dat de betreffende arbeidsovereenkomst ook op 18 november 2024 afloopt, zoals 31 december 2024 de laatste dag van het jaar is en het jaar ook op 31 december 2024 afloopt. Echter, tussen partijen staat vast dat [verzoeker] haar AOW-uitkering ontvangt met ingang van 18 november 2024. Over 18 november 2024 heeft [verzoeker] AOW-uitkering ontvangen. Dat betekent dat de laatste dag van de arbeidsovereenkomst 17 november 2024 was en dat [verzoeker] dus met ingang van 18 november 2024 niet meer bij [verweerder] in dienst was. Op het moment dat de gemachtigde van [verzoeker] in zijn e-mailberichten van 18 november 2024 verzocht om de arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst te beëindigen, bestond de arbeidsovereenkomst al niet meer, zodat niet is voldaan aan het vereiste om het verzoek tijdig te doen.
4.6.
Het beroep van [verzoeker] op een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 januari 2024 gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Weliswaar had de werknemer in die zaak wel recht op een vergoeding, ondanks dat die werknemer inmiddels ook al uit dienst was wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, maar het essentiële verschil met onderhavige zaak is dat in die zaak de werknemer wel tijdig het verzoek had gedaan. Het gerechtshof overweegt daarover als volgt: “overweegt daarbij dat het in deze zaak gaat om een werknemer die ná publicatie van de Wet compensatie transitievergoeding én voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte zijn werkgever daadwerkelijk heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding”. Aangezien de kantonrechter hiervoor heeft vastgesteld dat [verzoeker] haar verzoek pas heeft gedaan, nadat zij de AOW-gerechtigde leeftijd had bereikt, slaagt het beroep van [verzoeker] op voormeld arrest niet.
4.7.
Tot slot stelt [verzoeker] dat op [verweerder] als goed werkgever de verplichting rustte om [verzoeker] te informeren over haar rechtspositie bij een slapend dienstverband en – los van het bestaan van een beëindigingsverzoek verzoek van [verzoeker] als werknemer de voor haar meest voordelige wijze van beëindiging kiest, zeker als [verweerder] als werkgever daarvoor gecompenseerd kan worden. De kantonrechter ziet geen grondslag voor dergelijke verplichtingen aan de zijde van werkgever. Immers, het uitgangspunt is dat een werkgever niet hoeft in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. In de Xella-beslissing is onder strikte voorwaarden een uitzondering op deze hoofdregel geformuleerd. Onderdeel van deze voorwaarden is dat werknemer (tijdig) een beëindigingsvoorstel doet. Dat brengt mee dat op werkgever geen (informatie)verplichting rust en dat werkgever niet op eigen initiatief in actie hoeft te komen als een (tijdig) verzoek van werknemer ontbreekt. Dat geldt temeer als werknemer wordt bijgestaan door een professionele gemachtigde op het gebied van arbeidsrecht, zoals in deze zaak het geval is.
4.8.
Gelet op al het voorgaande zal de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een (schade)vergoeding gelijk aan de wettelijke transitievergoeding van € 10.613,16 bruto met nevenvorderingen afwijzen.
4.9.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat [verzoeker] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten).
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.
ECLI:NL:HR:2019:1734
ECLI:NL:GHSHE:2020:31
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.