Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:5191
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,212 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 10894464 \ MB VERZ 24-58
CJIB-nummer : 8062 5422 5632 3390
uitspraakdatum : 25 juni 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde] (Appjection B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 25 juni 2025. Namens de officier van justitie is verschenen [naam] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd op de Tivolistraat Nooduitgang erf 013 te Tilburg op 22 februari 2023 om 16.13 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de beschikking wordt vernietigd als blijkt van een bedrijfsmatige huurovereenkomst van ten hoogste drie maanden sprake is. Een huurovereenkomst van het voertuig is meegezonden met het beroepschrift. Gemachtigde doet een beroep op artikel 8 sub b Wahv. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat, gelet op de foto’s in het dossier, er geen sprake is van het veroorzaken van gevaar of hinder. Op de foto’s is namelijk te zien dat de scooter niet voor de nooduitgang stond, maar een stuk hiervandaan. Gemachtigde verzoekt primair om het vernietigen van de sanctie en subsidiair om matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Zeker in een noodsituatie is het denkbaar dat de scooter op deze locatie hinder zou kunnen veroorzaken. De gedraging kan dan ook voldoende worden vastgesteld. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De sanctie dient met 25% gematigd te worden.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat de nooduitgang wordt aangeduid met een wit kruis op het wegdek en de scooter hier ruim naast stond. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen. De beroepsgrond die heeft geleid tot wijziging van boetebeschikking is voor het eerst in de procedure bij de kantonrechter aangevoerd. De gemachtigde had deze grond al kunnen aanvoeren in het beroep bij de officier van justitie, maar heeft dat niet gedaan. Daarom wordt de vergoeding van de proceskosten beperkt tot de fase van het beroep bij de kantonrechter. De proceskosten in de fase van het administratief beroep bij de officier van justitie komen niet voor vergoeding in aanmerking (zie ECLI:NL:GHARL:2024:4621, overweging 5).
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
totaal € 907,00
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 109,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: