Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-09-04
ECLI:NL:GHARL:2025:5441
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,401 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.355.270/01
CJIB-nummer
: 255173271
Uitspraak d.d.
: 4 september 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 25 april 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard, de bestreden beslissing (het hof leest: de inleidende beschikking) gewijzigd, in die zin dat de feitcode wordt gewijzigd in VM038a en de sanctie wordt gematigd tot een bedrag van € 326,25 alsmede het beroep tegen de inleidende beschikking voor het overige ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 907,-.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 435,- voor: “VL038a - 38 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 januari 2023 om 01.01 uur op de Rijksweg A12 in Bennekom met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking gewijzigd, in zoverre dat de feitcode is gewijzigd in VM038a. De kantonrechter heeft voorts het bedrag van de sanctie met 25 procent gematigd tot € 326,25, omdat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat er termen zijn voor een proceskostenveroordeling. De kantonrechter heeft in dat verband overwogen dat de grond die heeft geleid tot wijziging van de inleidende beschikking door de gemachtigde voor het eerst in beroep bij de kantonrechter is aangevoerd. Nu de gemachtigde deze grond al had kunnen aanvoeren in administratief beroep, maar dat niet heeft gedaan, kent de kantonrechter geen proceskosten toe voor het beroep tegen de inleidende beschikking. Voor het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter kent de kantonrechter een punt per proceshandeling toe.
3. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de kantonrechter heeft miskend dat, nu de kantonrechter de feitcode heeft gewijzigd, ook de gemaakte proceskosten in administratief beroep voor vergoeding in aanmerking komen. De gemachtigde verzoekt het hof om een juiste proceskostenvergoeding toe te kennen.
4. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking gewijzigd voor wat betreft de feitcode. De kantonrechter heeft de betrokkene aldus (gedeeltelijk) in het gelijkgesteld. In een dergelijk geval zijn door de betrokkene terecht rechtsmiddelen aangewend in de procedure waaraan de sanctiebeschikking ten grondslag ligt zodat in de regel een rechtens te respecteren belang bestaat bij vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte proceskosten (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Nu de betrokkene (gedeeltelijk) in het gelijk is gesteld, heeft de kantonrechter terecht een proceskostenvergoeding toegekend.
5. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep slechts in het via het Digitaal Loket Verkeer ingediende administratief beroepschrift d.d. 1 februari 2023 heeft aangevoerd dat de betrokkene in algemene zin de gedraging betwist. De gemachtigde heeft eerst in het beroepschrift bij de kantonrechter d.d. 15 maart 2025 aangevoerd dat de ambtenaar een onjuiste feitcode heeft toegepast. Gelet hierop heeft de kantonrechter terecht overwogen dat de gemachtigde de grond die heeft geleid tot wijziging van de inleidende beschikking al had kunnen aanvoeren in administratief beroep, maar dat niet heeft gedaan en in dat licht juist geoordeeld dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend voor de in administratief beroep gemaakte proceskosten (vgl. het arrest van het hof van 11 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4621). De aangevoerde grond slaagt niet.
6. Gezien het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.