Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2014-11-27
ECLI:NL:RBNNE:2014:5795
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,641 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 14/993
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 november 2014 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: [gemachtigde eiser]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Almere, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder]).
Procesverloop
Verweerder heeft voor het jaar 2011 met dagtekening 13 december 2013 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.927.
Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 70 aan heffingsrente in rekening gebracht.
Bij uitspraak op bezwaar van 11 februari 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand].
Overwegingen
Feiten
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
1.1.
Eiser is schilder van beroep en staat het onderhavige jaar in dienstbetrekking tot meerdere inhoudingsplichtigen.
1.2.
Ten behoeve van de reizen die eiser aflegt in het kader van zijn dienstbetrekkingen maakt hij gebruik van een tot zijn privé-vermogen behorende vervoermiddel. Eiser heeft daarvoor een reiskostenvergoeding ontvangen van € 786.
1.3.
In de namens eiser ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 is onder het kopje “Reisaftrek openbaar vervoer” een bedrag van € 1.974 in mindering gebracht op het belastbaar inkomen uit werk en woning, hetgeen door verweerder bij het vaststellen van de aanslag is gecorrigeerd.
Geschil
2. In geschil is of de kosten en lasten die verband houden met de reizen die eiser aflegt in het kader van zijn dienstbetrekkingen met een tot zijn privé-vermogen behorende vervoermiddel (hierna: de reiskosten) terecht niet op enigerlei wijze in mindering zijn gebracht op het belastbaar inkomen uit werk en woning. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend; verweerder bevestigend. Ter zitting bij de rechtbank hebben partijen de reiskosten begroot op (€ 1.974 -/- € 786 =) € 1.188.
3. De wettelijke bepalingen (tekst 2011) luiden - voor zover hier van belang - als volgt:
Artikel 3.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet):
“2. Inkomen uit werk en woning is het gezamenlijke bedrag van:
a. de belastbare winst uit onderneming (…);
b. het belastbare loon (…);
c. het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden (…);”
Artikel 3.15 van de Wet:
“1. Bij het bepalen van de winst komen (…) tot een bedrag van € 4300 niet in aftrek (…).
(…)
6. Voor de toepassing van het eerste (…) lid worden kosten en lasten die verband houden met een tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende (…) vervoermiddel, eerst beperkt tot € 0,19 per kilometer.”
Artikel 3.95 van de Wet:
“Bij de bepaling van het resultaat zijn de artikelen (…) 3.13 tot en met 3.21 (…) van overeenkomstige toepassing, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt.”
Artikel 3.80 van de Wet:
“Belastbaar loon is loon verminderd met de reisaftrek (…).”
Artikel 3.87 van de Wet:
“1. De reisaftrek (…) wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand (…).
3. De (…) reisaftrek wordt verminderd met de voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand ontvangen reiskostenvergoedingen.
4. (…) bedraagt de reisaftrek:
bij een reisafstand per openbaar vervoer
van meer dan maar niet meer dan op jaarbasis
(…)
70 km 80 km € 1974 (…)
9. De per openbaar vervoer afgelegde reisafstand blijkt slechts uit (…) (de openbaar-vervoerverklaring) of (…) (de reisverklaring).”
4. Tussen partijen is - terecht - niet in geschil dat verweerder de Wet op zichzelf beschouwd juist heeft toegepast. Eisers gemachtigde heeft dit desgevraagd ter zitting bij de rechtbank bevestigd. Eiser verdedigt echter - zakelijk weergegeven - dat toepassing van de Wet in dezen in strijd is met het non-discriminatiegebod (in de zin van artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR en/of enige andere bepaling van internationaal recht). Daartoe heeft hij aangevoerd: “Gezien de aard van werkzaamheden en het in het belastingjaar 2011 nog niet overal vergoeden van reiskosten verzoek ik U om het beroep van schilder voor de periode tot en met 2011 gelijk te stellen aan het beroep van artiest waardoor er geen verplichting is voor een OV-verklaring en reiskosten aftrek mogelijk is”.
5. In de visie van eiser (althans zo begrijpt de rechtbank hem) wordt hij door de wetgever ten onrechte anders behandeld dan de belastingplichtigen die (op grond van het bepaalde in artikel 3.15, zesde lid, van de Wet) de reiskosten tot een forfaitair bedrag ten laste van de belastbare winst respectievelijk het belastbare resultaat kunnen brengen.
6. Bij de beoordeling van eisers betoog stelt de rechtbank voorop dat het door eiser gewraakte verschil in behandeling berust op het door de wetgever gemaakte verschil in de fiscale behandeling van winst uit onderneming respectievelijk resultaat uit overige werkzaamheden enerzijds en belastbaar loon anderzijds. Dit verschil komt in de fiscale wetgeving en ook daarbuiten op een groot aantal punten tot uitdrukking en berust op het aan de wetgever voorbehouden oordeel dat ondernemers respectievelijk resultaatgenieters op relevante punten niet vergelijkbaar zijn met werknemers. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat deze gevallen voor de heffing van belasting in redelijkheid dan ook niet als rechtens en feitelijk gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt, zodat reeds om die reden geen sprake is van een schending van het non-discriminatiegebod (in de zin van artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR en/of enige andere bepaling van internationaal recht).
7. Indien en voor zover eiser (met hetgeen hij heeft aangevoerd) nog doelt op een ongerechtvaardigd verschil in behandeling binnen de groep van werknemers; in concreto tussen belastingplichtigen (zoals hij) die niet met het openbaar vervoer reizen en niet in aanmerking kunnen komen voor een reisaftrek enerzijds, en belastingplichtigen die wel met het openbaar vervoer reizen en (op grond van het bepaalde in artikel 3.87 van de Wet) wel in aanmerking kunnen komen voor een reisaftrek anderzijds, overweegt de rechtbank als volgt.
8. Voor zover hier al sprake is van gelijke gevallen heeft te gelden dat niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen (op grond van artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR en/of enige andere bepaling van internationaal recht) verboden is, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (vgl. Hoge Raad 22 november 2013, 13/01161, ECLI:NL:HR:2013:1210).
9. De wetgever heeft het (hiervoor onder 7 vermelde) verschil in behandeling (onder meer) als volgt gemotiveerd:
“Om het gebruik van het openbaar vervoer voor reizen van woning naar werk verder te stimuleren is de aftrek van kosten voor regelmatig woon-werkverkeer alleen mogelijk bij gebruik van het openbaar vervoer. De reisaftrek is daarom alleen van toepassing op regelmatig woon-werkverkeer waarbij de reisafstand geheel of gedeeltelijk per openbaar vervoer is afgelegd. Hierbij wordt alleen de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand in aanmerking genomen voor het bepalen van het in aftrek te brengen bedrag.”
MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 130.
10. Het door eiser gewraakte verschil in behandeling is ontstaan door de uitdrukkelijke keuze en het doel van de wetgever om het gebruik van het openbaar vervoer voor woon-werkverkeer te stimuleren. Daarmee heeft de wetgever een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond gegeven voor het verschil in behandeling.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Keuning, in aanwezigheid van mr. M.H. Hogendoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken 27 november 2014.
griffier
w.g. rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.