Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-21
ECLI:NL:RBMNE:2025:4377
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,316 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3958
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Atay-Korkmaz),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] , verweerder
(gemachtigde: mr. A.S. Millerson).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder], uit [plaats] , vergunninghouder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van zonnepanelen op de linker zijgevel van de woning aan de [adres] in [plaats] .
Voorgeschiedenis en besluitvorming
1.1.
Op 4 oktober 2023 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning.
1.2.
Met het besluit van 9 november 2023 (het primaire besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’.
1.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit van 15 april 2024 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft niet gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, gemachtigde van verweerder, vergezeld door [A] , en vergunninghouder.
Overwegingen
De Wabo
2. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Het beoordelingskader
3.1.
Op het perceel is het Bestemmingsplan [bestemmingsplan] (het bestemmingsplan) van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan rust op het perceel de enkelbestemming “Wonen” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie”.
3.2.
In het primaire besluit heeft het college de zonnepanelen aangemerkt als ‘overig bouwwerk, geen gebouw zijnde’. Op grond van artikel 16.2.3 van het bestemmingsplan geldt voor het bouwen van overige bouwwerken de volgende regels:
“a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 m mag bedragen;
b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,5 m bedragen.”
3.3.
Het college heeft – gelet op de overschrijding van de bouwhoogte – met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder 2 van de Wabo in samenhang met artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht medewerking verleend aan het bouwplan. Het bouwplan was volgens het college niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening, voldeed aan de redelijke eisen van welstand, het Bouwbesluit en de Verordening Fysieke Leefomgeving [plaats] .
3.4.
Met het bestreden besluit heeft het college de grondslag van de verlening van de omgevingsvergunning gewijzigd in artikel 2.10 van de Wabo, de activiteit ‘handelen in strijd met het bestemmingsplan’ laten vervallen en het bouwplan passend geacht binnen het bestemmingsplan, omdat de zonnepanelen volgens het college kunnen worden aangemerkt als ‘ondergeschikte bouwdelen’. Op grond van artikel 2.7 van de planregels worden ondergeschikte bouwonderdelen buiten beschouwing gelaten bij het meten, mits de overschrijding van bouwvlak- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
Geschil
4. Tussen partijen is in geschil of de zonnepanelen kunnen worden aangemerkt als ondergeschikte bouwdelen in de zin van artikel 2.7 van de planregels bij het bestemmingsplan en of al dan niet sprake is van een gebonden besluit.
Beoordeling
5.1.
Eiser is van mening dat de zonnepanelen niet passen binnen het bestemmingsplan. Volgens eiser zijn de zonnepanelen ten onrechte aangemerkt als ondergeschikte bouwdelen. De ruimtelijke impact van twintig zonnepanelen is namelijk niet vergelijkbaar met de opgesomde bouwdelen zoals opgenomen in artikel 2.7 van de planregels. Eiser stelt dat een gevelaanzicht ook niet zomaar mag veranderen. Eiser concludeert dat geen sprake is van een gebonden beschikking, dat sprake is van een buitenplanse afwijking en dat de omgevingsvergunning niet verleend had kunnen worden vanwege strijd met de goede ruimtelijke ordening.
5.2.
Het college stelt dat de zonnepanelen naar hun aard gelijk kunnen worden gesteld met de ondergeschikte bouwdelen zoals bedoeld in artikel 2.7 van de planregels. Volgens het college is in artikel 2.7 geen sprake van een limitatieve lijst en geeft deze bepaling geen beperkingen aan omvang, afmetingen, functie of ligging. Het college merkt – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2022 – verder op dat de zonnepanelen ten dienste staan van het pand op het perceel, zoals ook bij schoorstenen, antennes en airco-units het geval is.
5.3.
De rechtbank is met het college van oordeel dat de zonnepanelen kunnen worden aangemerkt als ondergeschikte bouwdelen en overweegt hiertoe als volgt. Met verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling overweegt de rechtbank dat bij de vraag of er sprake is van ondergeschikte bouwonderdelen beoordeeld moet worden of de bouwonderdelen naar hun aard gelijk kunnen worden gesteld met de in planregel 2.7 genoemde bouwonderdelen. In artikel 2.7 van de planregels worden de volgende bouwonderdelen genoemd: plinten, pilasters, kozijnen, gevelversiering, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken. De rechtbank is van oordeel dat de zonnepanelen naar hun aard hiermee gelijkgesteld kunnen worden. De zonnepanelen staan functioneel ten dienste van de woning op het perceel, net als de in artikel 2.7 genoemde bouwonderdelen, en zijn ook gelet op hun omvang daaraan ondergeschikt. De rechtbank stelt vast dat de zonnepanelen slechts 10 cm uitsteken en dus ruim binnen de beperking van 1 meter blijven die artikel 2.7 noemt. Het enkele feit dat twintig zonnepanelen groter zijn in oppervlakte of volume dan de in artikel 2.7 genoemde bouwonderdelen, maakt niet dat ze onder de gegeven omstandigheden niet aangemerkt kunnen worden als ondergeschikte bouwdelen. De zonnepanelen bedekken slechts de helft van één gevel en zijn daarmee voor wat betreft de omvang nog steeds ondergeschikt aan de woning. Het is de rechtbank tot slot ook niet gebleken dat een gevelaanzicht niet mag wijzigen. De beroepsgrond slaagt niet.
5.4.
Nu de plaatsing van de zonnepanelen past binnen het bestemmingsplan en niet is gebleken van één van de andere weigeringsgronden uit artikel 2.10 van de Wabo, moest verweerder de omgevingsvergunning verlenen. Er is sprake van een gebonden beschikking. Verweerder heeft daarom terecht geen belangenafweging gemaakt. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een beoordeling van de overige gronden, die zien op de goede ruimtelijke ordening.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit van 15 april 2024 en de verleende omgevingsvergunning in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2022:2389.