Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-07-10
ECLI:NL:RBGEL:2025:5461
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,080 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:5461 text/xml public 2026-02-07T10:06:56 2025-07-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-07-10 AWB 24/156 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026020407 Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/138 V-N Vandaag 2026/219 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:5461 text/html public 2026-02-04T08:32:14 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:5461 Rechtbank Gelderland , 10-07-2025 / AWB 24/156 Onzakelijke lening. Belanghebbende heeft gelden uitgeleend aan (uiteindelijk) een gelieerde Maltese vennootschap die zich bezighoudt met online gokactiviteiten. De lening is door belanghebbende afgewaardeerd. Belanghebbende heeft niet weersproken dat de debiteur in het geheel met vreemd vermogen is gefinancierd, en heeft evenmin weersproken dat de solvabiliteit van de debiteur vanaf het begin negatief was, en ook is gebleven. De opbrengsten uit de activiteiten van de debiteur komen ook niet toe aan belanghebbende, maar aan anderen. Het voorgaande wettigt naar het oordeel van de rechtbank het bewijsvermoeden dat er geen onafhankelijke derde te vinden is die de gelden met een grote(re) risico-opslag – bijvoorbeeld een hoge(re) rente – aan de debiteur zou hebben uitgeleend. De blote stelling van belanghebbende dat de reden dat de banken geen financieringstoezegging hebben willen doen, niet is gelegen in de ‘business case’ van belanghebbende, maar dat dit haar grond vindt in bancaire regels die het financieren van online gokken verbieden, is onvoldoende om dit (bewijs)vermoeden te weerleggen. Omdat de lening als onzakelijk heeft te gelden kan deze niet worden afgewaardeerd (Hoge Raad, 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442). Beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/156 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaak tussen [belanghebbende] B.V. , uit [plaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem , de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 oktober 2023. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 443.061. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 7.404 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd naar een belastbaar bedrag van € 289.379 (€ 443.061 minus € 28.928 en minus een verlies uit een ander jaar van € 124.754). De inspecteur heeft de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en ter meerdere bijstand [persoon A]. Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon B], [persoon C] en [persoon D]. Feiten 1. De aandelen in belanghebbende worden gehouden door [naam stichting]. Economisch rechthebbenden van die aandelen zijn [naam bedrijf 1], [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] (de economisch rechthebbenden). De economisch rechthebbenden houden daarnaast een belang van 90% in [naam bedrijf 4] ([naam bedrijf 4]). 2. Belanghebbende is hoofd van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Tot die fiscale eenheid behoort onder meer [naam bedrijf 5] ([naam bedrijf 5]), een 100% dochtervennootschap van belanghebbende. 3. [naam bedrijf 5] heeft gedurende de periode 1 oktober 2015 tot en met 23 december 2019 gelden uitgeleend aan [naam bedrijf 4]. [naam bedrijf 4] heeft deze gelden vervolgens doorgeleend aan haar 100% dochtervennootschap [naam bedrijf 6] ([naam bedrijf 6]). De uitgeleende gelden zijn gebruikt om allerhande kosten van [naam bedrijf 6] te dekken. Er hebben geen aflossingen plaatsgevonden. De rente is bijgeschreven op de hoofdsom van de lening en is niet daadwerkelijk betaald. 4. [naam bedrijf 6] is per 31 maart 2020 ontbonden. 5. Op 26 november 2020 heeft belanghebbende aangifte Vpb 2019 gedaan naar een belastbaar bedrag van € 176.044. In die aangifte heeft belanghebbende een ‘bijzondere waardevermindering vlottende activa’ aangegeven van € 267.017. 6. Bij brief van 3 december 2021 heeft de inspecteur vragen gesteld aan belanghebbende aangaande de bijzondere waardevermindering vlottende activa. Belanghebbende heeft bij brief van 7 februari 2022 geantwoord dat dit bedrag ziet op de afwaardering van een door [naam bedrijf 5] aan [naam bedrijf 4] verstrekte lening. 7. Bij brief van 4 maart 2022 heeft de inspecteur aanvullende vragen gesteld. De aanvullende vragen hebben onder andere betrekking op de gekozen manier van exploitatie, de reden om de afwaardering te laten plaatsvinden in 2019, de vergelijking tussen de aangifte Vpb 2019 op naam van belanghebbende en [naam bedrijf 4], en wie de uiteindelijke kosten heeft betaald. Belanghebbende heeft in reactie hierop bij e-mailbericht van 12 mei 2022 onder meer laten weten dat de ter leen verstrekte gelden in rekening-courant zijn verwerkt. Belanghebbende heeft een overzicht van de ter leen verstrekte gelden en een ‘loan facility agreement’, aangegaan tussen [naam bedrijf 5] en [naam bedrijf 4], bijgevoegd. Daarna heeft op 21 juli 2022 een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. 8. Met dagtekening 3 september 2022 heeft de inspecteur een aanslag Vpb 2019 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar bedrag € 443.061 (€ 176.044 plus € 267.017). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 14 september 2022. Daarna heeft overleg, zowel per e-mail als in de vorm van een hoorgesprek, tussen partijen plaatsgevonden. 9. Bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2023 heeft de inspecteur alsnog een afwaardering van de vordering van [naam bedrijf 5] op [naam bedrijf 4] van € 28.928 geaccepteerd (zijnde de tot en met 31 januari 2016 ter leen verstrekte bedragen). 10. Partijen hebben onder meer de volgende op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd: a. een loan facility agreement met datum 4 september 2019, aangegaan tussen [naam bedrijf 5] als geldgever en [naam bedrijf 4] als geldnemer. In die overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen: “ LOAN FACILITY AGREEMENT This agreement is made on the 4th day of September 2019 and is entered by and between: (…) [naam bedrijf 5] (…) (hereinafter referred to as the “Lender”) and (…) [naam bedrijf 4] (…) (hereinafter referred to as the “Borrower”) The Lender and the Borrower are hereinafter referred to as the “Parties” and individually as a “Party”. RECITALS WHEREAS the Borrower requires financial resources for business purposes; WHEREAS the Lender is willing to provide a loan facility to the Borrower for this purpose; WHEREAS the transfer of funds was effected on the 1st of October 2017; and WHEREAS the Parties wish to regulate their position through this Agreement. IT IS HEREBY AGREED AS FOLLOWS: 1 LOAN 1.1 Lender agrees to advance to the Borrower, who accepts, a facility of a maximum amount of three hundred thousand Euro (€ 300.000) (hereinafter referred to as “ the Loan ”). 1.2 The Loan shall be delivered to the Borrower in one or several installments or as decided in writing by the Parties. 2 TERMS AND CONDITIONS 2.1 The Loan shall become due and payable by the Borrower to the Lender within ten (10) years from the date of this Agreement. 2.2 Repayment of the Loan shall be made in whole or in part in accordance with the provisions of this Agreement or in such form as the Parties may agree upon from time to time. 2.3 Notwithstanding the above and without prejudice thereto, the Borrower may in its sole discretion and at any time as it may deem fit and appropriate, anticipate the repayment of all or part of the amount of the Loan. Repayment of the Loan shall be made to the Lender’s bank account as may be indicated by the Lender to the Borrower.
Volledig
3 SECURITY 3.1 The Loan shall be unsecured 3.2 The Loan shall bear 5.0% annual interest. 4 REPRESENTATIONS AND WARRENTIES (…) 4.4 The Borrower undertakes to notify the Lender in writing immediately upon its becoming aware of: (i) the permanent suspension or prolonged interruption of the Borrower’s business; or (ii) the commencement of liquidation proceedings against the Borrower; or (iii) any declared or de facto inability of the Borrower to pay its debts. The Partes agree that upon the happening of any event described in (i), (ii) and (iii) above, the Leder shall be entitled to declare the Loan immediately due and payable by the Borrower. (…)” een overzicht van de in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 23 december 2019 door [naam bedrijf 5] aan [naam bedrijf 4] ter leen verstrekte bedragen. Per 31 januari 2016 bedroeg het saldo € 28.928. Het overzicht sluit met een saldo van € 267.017; Aangiften Vpb 2017 tot en met 2020 van [naam bedrijf 4]. Blijkens die aangiften bedroeg het ondernemingsvermogen van [naam bedrijf 4] per ultimo: 2017: € 7.803 negatief; 2018: € 14.791 negatief; 2019: € 28.568 negatief; 2020: € 28.844 negatief. Uit de aangiften volgt verder dat het bezit van [naam bedrijf 4] nagenoeg geheel bestaat uit een vordering op [naam bedrijf 6]; jaarrekeningen 2017 tot en met 2020 van [naam bedrijf 6]. Blijkens die jaarrekeningen bedroeg het eigen vermogen van [naam bedrijf 6] per datum: 30 september 2017: € 15.731 negatief; 30 september 2018: € 63.401 negatief; 30 september 2019: € 19.302 negatief; 31 maart 2020: € 17.930 positief. een zogenoemde ‘White Label Agreement’. Op grond hiervan heeft [naam bedrijf 6] van derden het recht verkregen een goksite te exploiteren. Beoordeling door de rechtbank 11. De rechtbank beoordeelt of de aanslag Vpb 2019, na bij uitspraak op bezwaar te zijn verminderd, tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 12. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door [naam bedrijf 5] ter leen verstrekte bedragen als zakelijk (standpunt belanghebbende) of als onzakelijk (standpunt inspecteur) hebben te gelden. 13. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het leerstuk van de onzakelijke lening niet van toepassing is. Het betreft de financiering van een kernactiviteit van belanghebbende (online gokken). Vanwege destijds geldende wetgeving inzake online gokken, en op grond van bancaire regels, was belanghebbende gedwongen tot het opzetten van een buitenlandse structuur en het intern financieren van [naam bedrijf 6]. Belanghebbende wijst erop dat langlopende verplichtingen van [naam bedrijf 6] die eerst als zakelijk zijn aangeduid van het ene op het andere moment als onzakelijk zijn aangeduid. De ‘knip’ per 31 januari 2016 van de inspecteur is arbitrair. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat banken online gokken niet mogen financieren, en dat geen sprake is van een ‘slechte business case’. Belanghebbende denkt dat mogelijk wel financierders te vinden zijn in de gokwereld. 14. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de geldverstrekkingen na 31 januari 2016 als onzakelijk hebben te gelden. Dat sprake is van een ‘kernactiviteit van belanghebbende’ doet niet ter zake, het gaat om de kwalificatie van de verstrekte leningen. De inspecteur wijst er in dit kader op dat [naam bedrijf 4] verlieslatend is, een negatieve solvabiliteit heeft en er geen zekerheden zijn afgegeven. Belanghebbende (althans [naam bedrijf 5]) heeft in de hoedanigheid van zustermaatschappij een debiteurenrisico aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. De na 31 januari 2016 verstrekte bedragen kunnen niet ten laste van het resultaat worden gebracht, aldus de inspecteur. De inspecteur wijst erop dat ook gekozen had kunnen worden voor het storten van kapitaal in plaats van het verstrekken van leningen. Ter zitting heeft de inspecteur toegelicht dat de tot en met 31 januari 2016 verstrekte bedragen door hem als zakelijk zijn aangemerkt naar analogie van het consumptief krediet. Hieraan worden weinig voorwaarden gesteld. Was echter sprake geweest van een financieringstoezegging ‘up front’, en had de inspecteur de financieringstoezegging voorafgaand aan de lening verstrekkingen kunnen beoordelen, dan was het bedrag van € 28.928 ook niet in aftrek toegelaten. Ten slotte heeft de inspecteur ter zitting toegezegd dat indien sprake is van een zakelijke lening, deze kan worden afgewaardeerd ten laste van de winst. 15. De rechtbank stelt vast dat sprake is van zogenoemde ‘gelieerdheid’, zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 , tussen [naam bedrijf 5] (de crediteur) enerzijds, en [naam bedrijf 4] (de debiteur) en [naam bedrijf 6] anderzijds. De economisch rechthebbenden (zie punt 1.) houden tezamen een belang van 90% in [naam bedrijf 4], terwijl zij via [naam stichting] het volledige belang in belanghebbende en in [naam bedrijf 5] houden. 16. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op onder meer het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2012 , rust de bewijslast dat sprake is van een onzakelijke lening op de inspecteur. Dit betekent dat de inspecteur tegenover de betwisting van belanghebbende aannemelijk moet maken dat er geen (niet-winstdelend) rentepercentage kan worden bepaald waaronder een onafhankelijk derde, onder overigens gelijke omstandigheden, de lening zou hebben verstrekt. 17. Of sprake is van een onzakelijke lening moet worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden. Als sprake is van een onzakelijke lening, kan deze niet worden afgewaardeerd/voorzien ten laste van de fiscale winst. 18. De rechtbank overweegt verder dat in geval van een rekening-courant sprake is van diverse momenten waarop gelden zijn verstrekt. Steeds zal dan ook moeten worden beoordeeld of elke geldverstrekking op zichzelf op dat moment aangemerkt moet worden als het aanvaarden van een debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. 19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die tot de conclusie leiden dat de na 31 januari 2016 verstrekte bedragen het karakter van een onzakelijke lening hebben. Redengevend voor dit oordeel is het volgende. Het niet stellen van zekerheden, het bijschreven van rente en/of de afwezigheid van een aflossingsschema brengt niet automatisch mee dat een lening als onzakelijk moet worden beschouwd. Belanghebbende heeft echter niet weersproken dat de debiteur in het geheel met vreemd vermogen is gefinancierd (‘nul kapitalisatie’), en heeft evenmin weersproken dat de solvabiliteit van de debiteur vanaf het begin negatief was en ook is gebleven. Bovendien komen de opbrengsten uit bedoelde activiteiten niet aan de crediteur en belanghebbende toe, maar (uiteindelijk) aan de economisch rechthebbenden (zie punt 1.). De crediteur draagt de kwade kansen, terwijl de goede kansen aan de aandeelhouders toekomen. Dit zijn omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden wettigen dat belanghebbende een debiteurenrisico heeft gelopen dat zodanig groot is dat er geen onafhankelijke derde te vinden is die de gelden met een grote(re) risico-opslag – bijvoorbeeld een hoge(re) rente – aan de debiteur zou hebben uitgeleend. Dit vermoeden is door belanghebbende niet ontzenuwd. De blote stelling van belanghebbende dat de reden waarom de banken geen financieringstoezegging willen doen niet is gelegen in de ‘business case’ van belanghebbende, maar dat dit haar grond vindt in bancaire regels die het financieren van online gokken verbieden, is daartoe onvoldoende. Ook de blote stelling van belanghebbende dat mogelijk wel financierders te vinden zouden zijn in de gokwereld, maakt dit niet anders. Belanghebbende heeft deze stelling op geen enkele wijze geconcretiseerd of gestaafd met objectieve en verifieerbare gegevens en daarom onvoldoende twijfel gewekt met betrekking tot het bewijsvermoeden.