Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-02-03
ECLI:NL:RBGEL:2023:988
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,426 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 8997842 \ CV EXPL 21-279 \ 398 \ 918
uitspraak van 3 februari 2023
vonnis
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [eiser]
wonende te [woonplaats]
eisende partij
procederend in persoon
tegen
de besloten vennootschap [gedaagde]
gevestigd te [vestigingsplaats]
gedaagde partij
gemachtigde ARAG SE Rechtsbijstand
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2021 en de daarin genoemde processtukken;
- het proces-verbaal van enquête aan de kant van [eiser] van 3 februari 2022;
- het proces-verbaal van (voortzetting) enquête aan de kant van [eiser] alsmede contra-enquête aan de kant van [gedaagde] van 26 augustus 2022;
- de conclusie na enquête van [eiser] van 30 september 2022;
- de conclusie na enquête van [gedaagde] van 28 oktober 2022.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling van het geschil
2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 17 september 2021.
2.2.
De kantonrechter heeft [eiser] in het tussenvonnis van 17 september 2021 in de gelegenheid gesteld:
a. feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat [gedaagde] tevens aansprakelijk is voor de facturen aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ;
b. te bewijzen dat de overeenkomst tevens zag op het voeren van gerechtelijke procedures en de gestelde afspraken ten aanzien van het in rekening brengen van gemaakte kosten en het berekenen van een salaris van € 75,00 in geval van oninbare vorderingen wegens faillissement, schuldsanering, rechtstreekse betaling aan [gedaagde] of terugtrekking door [gedaagde] .
2.3.
[eiser] heeft ter levering van het bewijs zichzelf, de heer [getuige 1] , de heer [getuige 2] , de heer [getuige 3] en de heer [getuige 4] als getuige doen horen. Daarnaast is een schriftelijke verklaring van de heer [getuige 4] in het geding gebracht. [gedaagde] heeft in contra-enquête mevrouw [getuige 5] , de heer [getuige 6] en de heer [getuige 7] als getuige doen horen.
2.4.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 164 lid 2 Rv van toepassing is op de verklaring van [eiser] . Dit betekent dat met betrekking tot de feiten die [eiser] moet bewijzen heeft te gelden dat aan zijn eigen verklaring slechts bewijs ten voordele van hem kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1057). Dit brengt mee dat de kantonrechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door hem te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933).
2.5.
Ten aanzien van de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [gedaagde] tevens aansprakelijk is voor de facturen aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2]
wordt het volgende overwogen.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de verklaringen volgt dat de administratie van [gedaagde] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] centraal werd gevoerd vanaf de locatie waar [gedaagde] was gevestigd. Dit maakt echter nog niet dat [gedaagde] ook aansprakelijk is voor de facturen aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] Dat geldt temeer nu de facturen voor de werkzaamheden die [eiser] voor deze B.V.’s verrichtte ook aan deze B.V.’s werden gericht. Uit de verklaringen blijkt ook dat er wel een aparte administratie werd gevoerd. Dat tussen [eiser] en [gedaagde] is overeengekomen dat alle facturen door [gedaagde] zouden worden betaald of [gedaagde] anderszins aansprakelijk was voor betaling van de facturen gericht aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] blijkt nergens uit. Gelet hierop is dit onvoldoende aannemelijk geworden. [eiser] is aldus niet in deze bewijsopdracht geslaagd. De vordering zal dan ook worden afgewezen voor zover deze facturen gericht aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] betreft.
2.6.
Ten aanzien van de opdracht om te bewijzen dat de overeenkomst tevens zag op het voeren van gerechtelijke procedures en de gestelde afspraken ten aanzien van het in rekening brengen van gemaakte kosten en het berekenen van een salaris van € 75,00 in geval van oninbare vorderingen wegens faillissement, schuldsanering, rechtstreekse betaling aan [gedaagde] of terugtrekking door [gedaagde] overweegt de kantonrechter het volgende.
De kantonrechter is van oordeel dat de verklaringen van [eiser] en de overige getuigen onvoldoende overeen komen om tot het oordeel te leiden dat deze verklaringen zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring van [eiser] voldoende geloofwaardig maken. Uit de stukken en de verklaringen blijkt dat tijdens de bespreking van 2014 [eiser] , [getuige 1] , [getuige 3] en [getuige 4] aanwezig zijn geweest. [getuige 3] verklaart daarover dat hij zich geen details daarvan kan herinneren. [getuige 4] zet in zijn schriftelijke verklaring weliswaar de werkwijze van [eiser] uiteen, maar verklaart vervolgens dat [eiser] met name bij de bijeenkomst in 2019 zijn spelregels heeft uitgelegd. [getuige 1] verklaart dat tegen hem is gezegd dat er sprake zou zijn van no-cure-no-pay en aan [eiser] niets betaald hoefde te worden. Nu de overige getuigen niet bij deze bespreking aanwezig zijn geweest, betreffen hun verklaringen over de afspraken verklaringen ‘van horen zeggen’ en niet uit eigen wetenschap. De verklaringen lopen ook zodanig uiteen dat deze de verklaring van [eiser] onvoldoende ondersteunen. Uit de verklaringen volgt weliswaar dat er afspraken op no-cure-no-pay basis zijn gemaakt, maar niet of en welke afspraken er zijn gemaakt over de kosten van de procedures en kosten bij intrekking of faillissement. Dat uit de processtukken blijkt dat [eiser] [naam 1] in 2017 wel over deze kosten heeft geïnformeerd, maakt dit niet anders. Uit diezelfde correspondentie blijkt immers dat zij niet op de hoogte was van de gemaakte afspraken, terwijl hieruit ook geen bevestiging van deze afspraken van [getuige 1] volgt.
Uit de verklaringen blijkt voorts dat er in 2019 opnieuw een bijeenkomst is geweest, waarbij zaken zijn besproken tussen [gedaagde] en [eiser] . Uit de verklaringen blijkt dat bij deze bijeenkomst eveneens [eiser] , [getuige 1] , [getuige 3] en [getuige 4] aanwezig zijn geweest. [getuige 3] verklaart daarover dat ze toen van een heel aantal zaken overlegd hebben hoe die ervoor stonden en hoe die afgehandeld zouden worden, dat [getuige 1] daarover besliste en dat het beleid van [gedaagde] was om zo veel mogelijk zelf te beheersen en op te lossen en als ze er niet uitkwamen het na overleg door te geven aan [eiser] en dat de kosten voor rekening van [gedaagde] zouden komen. Ook [getuige 4] verklaart dat [eiser] tijdens die bijeenkomst heeft uitgelegd hoe zijn werkwijze was, dat [eiser] zelf de procedures voerde en de kosten daarvan in rekening zou brengen bij de debiteur maar deze altijd voor rekening van de opdrachtgever zouden komen en dat als [gedaagde] zelf een regeling zou treffen of de debiteur failliet zou gaan een gedrag van € 75,00 in rekening zou worden gebracht. Daarnaast geeft ook [getuige 4] aan dat tijdens deze bijeenkomst alle openstaande debiteuren zijn doorgenomen en [eiser] heeft aangegeven welke kosten hij tot op dat moment had gemaakt. Hieruit volgt dat vanaf de bijeenkomst in 2019 [getuige 1] er wel van op de hoogte was dat indien [eiser] zou dagvaarden of de debiteur failliet ging er kosten in rekening gebracht zouden worden. Hoewel [eiser] verklaart dat deze bijeenkomst in 2018 heeft plaatsgevonden, is aannemelijk dat deze in 2019 heeft plaatsgevonden aangezien zowel [eiser] als [getuige 3] en [getuige 4] aangeven dat dit is geweest in verband met de mogelijke inkoop van [getuige 4] in [gedaagde] en dat dit in de periode februari tot september 2019 heeft gespeeld.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 589,67, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 13 april 2020 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 88,45 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
compenseert de kosten in die zin dat iedere partij belast blijft met de eigen kosten;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2023.