Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-26
ECLI:NL:RBDHA:2026:6805
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,097 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6805 text/xml public 2026-03-30T18:00:23 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-26 NL25.55509 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6805 text/html public 2026-03-27T08:55:43 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6805 Rechtbank Den Haag , 26-03-2026 / NL25.55509 Asiel, geloofwaardigheid, medische klachten, identiteit, leeftijdsregistratie, problemen met Taliban, terugkeerkader Afghanistan, misleiding, beroep gegrond met instandlating rechtsgevolgen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.55509 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. A. Bondarev). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Het besluit bevat ook een terugkeerbesluit, waarin staat dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, en een inreisverbod van twee jaar. Omdat eiser tegen deze onderdelen geen beroepsgronden heeft ingediend, laat de rechtbank die verder buiten beschouwing. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand kunnen blijven. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag ook in stand kan blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met de medische klachten van eiser en voldoende gemotiveerd dat zijn identiteit ongeloofwaardig is. Eiser kon zijn asielmotieven niet onderbouwen met authentieke documenten; de ingediende tazkera’s bleken vals of onbetrouwbaar omdat de verklaringen over het afgifteproces niet overeenkomen met openbare bronnen. Ook kon eiser niet verklaren waarom hij geen schoolpas kon overleggen. Vanwege een motiveringsgebrek in de besluitvorming over de leeftijdsregistratie (de minister baseerde zich op verouderde rechtspraak), is het beroep gegrond. Maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen in stand omdat de minister op zitting voldoende heeft gemotiveerd waarom hij vasthoudt van eisers leeftijdsregistratie in Bulgarije. Verder heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eisers problemen vanwege een conflict over grondbezit met de Taliban ongeloofwaardig zijn en heeft de minister voldoende rekening gehouden met het terugkeerkader voor Afghanen. Tot slot heeft de minister de aanvraag terecht kennelijk ongegrond verklaard omdat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, ondanks dat zij voor de zitting zijn uitgenodigd, zonder afmelding niet verschenen. 2.3. Op 2 maart 2026 heeft eiser extra stukken in het digitale dossier geplaatst. De rechtbank ziet geen reden om het onderzoek om die reden te heropenen, omdat de stukken zonder toelichting zijn ingediend. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag. Hij heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag 1] 2003. Hij verklaart in zijn asielaanvraag dat er na de val van de Afghaanse regering een conflict is ontstaan tussen zijn familie en de Taliban over een stuk grond. De Taliban probeerde de grond met geweld in te nemen. Tijdens dit conflict zijn zowel zijn oom als zijn vader vermoord. Enkele dagen later werd eiser aangevallen en mishandeld terwijl hij onderweg was naar de bazaar. Hij vermoedt dat de daders hem wilden doden, omdat zij hem zagen als medeplichtig aan een eerdere beschieting door zijn neven. Op advies van zijn oom is eiser vervolgens gevlucht uit Afghanistan. Bij een eventuele terugkeer vreest hij voor zijn leven vanwege de Taliban. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Problemen met de leden van de Taliban vanwege een conflict over grondbezit. 4.1. De minister gelooft de nationaliteit en herkomst van eiser, maar vindt zijn identiteit ongeloofwaardig. Eiser heeft zijn identiteit niet overtuigend kunnen aantonen; hij overhandigde onvoldoende documenten om zijn identiteit te onderbouwen. Eiser heeft wel een tazkera op 4 april 2023 overgelegd, maar volgens onderzoek van Bureau Documenten op 27 oktober 2023 is het document waarschijnlijk niet afkomstig van een bevoegde instantie en daarom bestaat er twijfel over de echtheid van de tazkera. Pas op 5 november 2025 heeft eiser een nieuwe tazkera overgelegd. Daarnaast veranderde eiser zijn verklaring over het bezit van een schoolpas naar een tazkera, wat de geloofwaardigheid verder aantast. Eiser heeft afwijkend verklaard ten opzichte van het Algemeen Ambtsbericht over Afghanistan van juni 2023 over het verkrijgen van zijn tazkera en hij heeft wisselend verklaard over zijn geboortedatum. 4.2. Ook het asielmotief rond conflicten met de Taliban wordt als ongeloofwaardig beoordeeld. Eiser heeft dit niet met objectieve documenten kunnen onderbouwen en gaf geen sluitende verklaringen. Hij kon geen overlijdensakte van zijn oom, medische stukken van zijn vader of eigen behandelgegevens overleggen. Ook heeft hij geen eigendomsbewijzen overgelegd van de grond waar het conflict over zou gaan, terwijl hij stelde dat die bestaan. Zijn verklaringen over het overlijden en de mishandeling van zijn vader zijn tegenstrijdig en vaag. Ook is er geen bewijs dat eiser persoonlijk doelwit is van betrokkenen bij het conflict. Gelet hierop heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Daarnaast is niet gebleken dat eiser een reëel risico op schade loopt. 4.3 Tot slot wijst de minister erop dat eiser hem heeft misleid over zijn identiteit, omdat de tazkera die eiser op 4 april 2023 heeft overgelegd vervalst is en omdat eiser in Nederland en Bulgarije verschillende geboortedatums heeft opgegeven. Daarom concludeert de minister dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Het besluit omvat ook een terugkeerbesluit, waarin staat dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, en een inreisverbod van twee jaar. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de medische klachten van eiser? 5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische klachten. Deze klachten maken het voor hem moeilijk om zijn verhaal duidelijk en samenhangend te vertellen. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst hij op de medische gegevens van de GZA waaruit volgt dat hij is behandeld door de GGZ en worstelt met traumatische rouw, PTSS en depressie. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft voldoende rekening gehouden met de medische klachten van eiser. Het medisch advies van Medtadvies (3 juni 2023) vermeldt dat eiser pijn heeft aan het bewegingsapparaat, hoofdpijn, verstoorde nachtrust, vermoeidheid en concentratieproblemen. Eiser moet medicatie kunnen innemen en bewegen tijdens het gesprek, met ruimte voor pauzes en een rustige aanpak. Stress heeft ook gebitsklachten veroorzaakt. Tijdens het nader gehoor is rekening gehouden met deze medische klachten. Uit het gehoor volgt verder dat eiser aangeeft dat hij door de mishandeling nog steeds last heeft van pijnklachten in de rug, knieën en borstkas. Uit zowel het medisch dossier van eiser en het verslag nader gehoor zijn geen aanwijzingen te vinden dat eiser niet samenhangend kan verklaren.
Volledig
Gelet op het voorgaande heeft de minister voldoende rekening gehouden met de medische behoeften van eiser. De medische gegevens van de GZA waar eiser op wijst, zitten niet in het dossier en eiser onderbouwt verder niet of uit deze gegevens blijkt dat hij niet samenhangend kan vertellen over zijn asielrelaas. De minister heeft de stelling van eiser hierover dan ook niet hoeven volgen. Mocht de minister de identiteit ongeloofwaardig vinden? 6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn identiteit ongeloofwaardig heeft geacht. Heeft eiser dit asielmotief met authentieke documenten onderbouwd (onderdeel b)? 6.1. De minister vindt dat eiser dit asielmotief niet met authentieke documenten heeft onderbouwd. De minister stelt zich op het standpunt dat de in 2023 overgelegde tazkera vals is, omdat uit het onderzoek van Bureau Documenten van 27 oktober 2023 blijkt dat de tazkera waarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt. De door eiser in 2025 overgelegde tazkera is ook onderzocht en de verklaringen van eiser over het afgifteproces hiervan komen niet overeen met openbare bronnen, omdat uit het Algemeen Ambtsbericht van juni 2023 volgt dat een aanvrager persoonlijk aanwezig moet zijn bij de aanvraag en eiser zelf heeft verklaard dat zijn oom de aanvraag heeft gedaan. De verklaring van eiser dat de afgifte van de tazkera in 2025 is gelukt omdat hij Afghaans is en zijn persoonsgegevens bekend zijn bij de instanties bekend zijn, komt ook niet overeen met openbare bronnen. Papieren tazkera’s zijn vaak onvolledig, bevatten verouderde of onjuiste gegevens en missen veiligheidskenmerken, waardoor ze makkelijk te vervalsen zijn. Daarom hecht de minister hier weinig waarde aan. Eiser heeft dit niet gemotiveerd betwist. Daarom vindt de minister dat eiser zijn identiteit niet volledig met bewijsmateriaal heeft onderbouwd. Om die reden heeft de minister, overeenkomstig Werkinstructie 2024/6, beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 om het voordeel van de twijfel te krijgen. Volgens de minister is dat niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de vereisten in onderdelen b en c van dat artikel. 6.2. De rechtbank stelt vast dat, gelet op 6.1, eiser niet heeft voldaan aan stap 2a van de geloofwaardigheidsbeoordeling (de beoordeling of het asielmotief met voldoende documenten is onderbouwd). Eiser bestrijdt dit verder niet. De rechtbank gaat daarom hieronder verder met de behandeling van stap 2b: de beoordeling van de minister of het asielmotief op grond van de verklaringen van eiser toch geloofwaardig is. De rechtbank behandelt eerst onderdeel b van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 en daarna onderdeel c van dat artikel. Heeft eiser geen goede verklaring voor het hebben van onvoldoende documenten (onderdeel b)? 7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij onvoldoende documenten heeft en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser voert hiertoe punten aan over de tazkera’s die hij heeft overgelegd bij zijn asielprocedure en over het al dan niet hebben van een schoolpas. De rechtbank behandelt deze punten per onderdeel. 7.1. Eiser betoogt dat hij in zijn asielprocedure een tazkera in 2023 en in 2025 heeft overgelegd. Hiermee heeft hij voldaan aan zijn inspanningsverplichting om documenten te overleggen. 7.1.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft overlegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Op 4 april 2023 heeft eiser een tazkera ingediend, maar uit het onderzoek van Bureau Documenten op 27 oktober 2023 blijkt dat dit document vrijwel zeker niet op de juiste wijze is opgemaakt en verstrekt. Eiser wist al sinds het gehoor van 31 juli 2025 dat de tazkera vals was. Vanaf dat moment had hij de kans om andere identificerende documenten te overleggen. Hoewel eiser vervolgens op 5 november 2025 tijdens het nader gehoor een nieuwe tazkera heeft ingediend, komt het uitgifteproces zoals eiser heeft beschreven niet overeen met wat daarover uit openbare bronnen blijkt, zoals onder 6.1 is beoordeeld. Er is geen reden om aan te nemen dat hij eerder geen geschikte documenten had kunnen overleggen. Het betoog van eiser dat hij heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting slaagt daarom ook niet. 7.2. Eiser betoogt verder dat er verwarring is ontstaan over het hebben van een schoolpas. Hij verklaarde eerder bij de vreemdelingenpolitie (AVIM) dat hij een schoolpas heeft, maar heeft later gecorrigeerd dat hij in die verklaring een tazkera bedoelde. Eiser heeft verklaard dat een tazkera nodig is om je bij een school in te schrijven en dat hij daarom vanaf het begin van zijn schoolperiode een tazkera bezat. 7.2.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich ook hier niet ten onrechte op het standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft overlegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Eiser heeft verklaard dat hij tot de negende klas naar school is geweest in Afghanistan en heeft bij de AVIM verklaard dat hij een schoolpas had. Daarnaast verklaarde eiser dat hij van school in het bezit moest zijn van een tazkera. Deze verklaringen wijzen erop dat eiser zowel een schoolpas als een tazkera in zijn bezit had, maar eiser heeft beide documenten niet overgelegd. Hoewel eiser in de correcties en aanvullingen corrigeerde dat hij met de schoolpas een tazkera bedoelde, valt niet in te zien waarom eiser bij de AVIM zegt dat hij een schoolpas heeft, terwijl hij eigenlijk zijn tazkera bedoelt. Een schooldocument is iets volstrekt anders dan een tazkera. Gezien het feit dat eiser tijdens het proces verbaal zelf heeft verklaard dat hij in Afghanistan nog een schoolpas heeft en hij via zijn oom ook een tazkera heeft kunnen laten overkomen valt het niet in te zien dat eiser zijn schoolpas niet heeft kunnen overleggen. Tussenconclusie over voorwaarde b 8. De minister stelt zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000. Daarom neemt de minister niet ten onrechte aan dat eiser geen goede verklaring heeft voor het niet hebben van documenten. Vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel (onderdeel c)? 9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat zijn verklaringen over zijn identiteit geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser voert hiertoe punten aan over het verkrijgen van de tazkera en over zijn verklaringen over zijn verschillende geboortedatums in Bulgarije en Nederland. De rechtbank behandelt deze punten per onderdeel. 9.1. Eiser voert aan dat hij samenhangend heeft verklaard over de verkrijging van de tazkera. De tazkera uit 2023 is een duplicaat uit Nagarhar en de tazkera uit 2025 is een duplicaat uit Kabul. 9.1.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser geen samenhangend en aannemelijk verhaal vertelt over de verkrijging van zijn tazkera. De verklaring van eiser over de aanvraag van de tazkera in 2025 strookt niet met het Algemeen Ambtsbericht over Afghanistan van juni 2023 en (andere) openbare bronnen. Papieren tazkera’s zijn bovendien vaak onvolledig, verouderd en kwetsbaar voor vervalsing, wat de minister aanleiding heeft mogen geven om weinig waarde te hechten aan de papieren tazkera’s. Eiser heeft het voorgaande niet overtuigend weten te weerleggen. 9.2. Eiser voert verder aan dat hij niet onsamenhangend heeft verklaard over zijn geboortedatum. Hij is geboren op [geboortedag 2] 2006, zoals hij heeft verklaard in de Nederlandse procedure. De minister motiveert onvoldoende waarom hij uitgaat van de leeftijdsregistratie in Bulgarije ([geboortedag 1] 2003) en waarom hij eisers verklaringen hierover niet gelooft. De minister heeft nagelaten om aanvullende informatie op te vragen bij de Bulgaarse autoriteiten over de vraag hoe de leeftijdsregistratie en daarmee de geboortedatum van eiser is vastgesteld door de autoriteiten. Dat moet hij wel doen, gelet op Werkinstructie 2023/6 en vaste rechtspraak. 9.2.1. Eiser heeft hier een punt.
Volledig
De minister gaat in het besluit er namelijk van uit dat het aan eiser is om aan te tonen dat de leeftijdsregistratie in Bulgarije onjuist is. Daarmee lijkt de minister in het besluit te doelen op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 en 15 augustus 2017, waarin het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd gebruikt om aan te nemen dat de leeftijdsregistratie in een andere lidstaat in principe betrouwbaar is en dat de minister daarom uit mag gaan van die registratie. Volgens deze oude rechtspraak uit 2017 rustte de bewijslast op de vreemdeling om de leeftijdsregistratie in de andere lidstaat te ontkrachten. Die opvatting is inmiddels achterhaald. Uit recentere rechtspraak blijkt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet automatisch geldt bij leeftijdsregistraties in andere lidstaten. De minister moet zo’n registratie daarom eerst zorgvuldig onderzoeken en duidelijk motiveren waarom hij daar gewicht aan toekent. Daarbij moet de minister alle relevante feiten betrekken, zoals leeftijdsschouwen, documenten en verklaringen. Omdat de minister zich in zijn besluit op verouderde rechtspraak baseerde, ontbreekt in het besluit een deugdelijke motivering en is er sprake van een gebrek. 9.2.2. Omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, leidt dit ertoe dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Toch ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Dat komt omdat de minister op de zitting voldoende heeft toegelicht waarom hij gewicht toekent aan de leeftijdsregistratie in Bulgarije. Uit het dossier blijkt dat de minister in 2023 via een Eurodac-treffer ontdekte dat eiser in Bulgarije staat geregistreerd met de geboortedatum [geboortedag 1] 2003. Naar aanleiding daarvan heeft AVIM eiser onderzocht (geschouwd) en geconstateerd dat er twijfel bestond over zijn opgegeven leeftijd. Tijdens de zitting legde de minister uit dat daarna nader onderzoek naar de leeftijdsregistratie in Bulgarije is gedaan. Op 28 februari 2023 hebben de Bulgaarse autoriteiten in een reactie laten weten dat eiser volgens zijn eigen verklaringen geregistreerd is als volwassene in Bulgarije, dat hij geen documenten heeft ingediend en er geen leeftijdscontrole heeft plaatsgevonden. Eiser stelt daartegenover dat hij zelf nooit een leeftijd heeft opgegeven en dat de autoriteiten zijn leeftijd naar uiterlijk hebben ingeschat, waarbij ze een datum toekenden zonder zijn instemming. Hij verklaart dat hij steeds heeft gezegd zeventien jaar te zijn, terwijl de Bulgaren volgens eiser zomaar wat hebben ingevuld. Dit verklaart echter niet hoe de Bulgaarse autoriteiten tot de geboortedatum van [geboortedag 1] 2003 zijn gekomen, die bovendien sterk afwijkt van zijn in Nederland opgegeven geboortedatum van [geboortedag 2] 2006. De aanwijzing dat de Bulgaarse autoriteiten zomaar een datum hebben ingevuld ontbreekt hierbij. Daarnaast is niet gebleken dat eiser de foutieve registratie in Bulgarije heeft proberen te corrigeren. Alles bij elkaar weegt de verklaring van eiser onvoldoende op tegen de bevindingen van de minister. Gelet op alle feiten en omstandigheden in samenhang bekeken heeft de minister het vermoeden van minderjarigheid ontzenuwd. De minister mag dus aannemen dat eiser is geboren op [geboortedag 1] 2003. Tussenconclusie over voorwaarde c 10. De minister stelt zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Daarom neemt de minister niet ten onrechte aan dat de verklaringen van eiser over het verkrijgen van een tazkera en de leeftijdsregistratie in Bulgarije onvoldoende aannemelijk en niet samenhangend zijn. Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling identiteit 11. De minister stelt zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onderdelen b en c, van de Vw 2000. De minister hoefde daarom de gestelde minderjarigheid van eiser niet te volgen. De minister mag hij aannemen dat eiser meerderjarig is en mag hij uitgaan van de opgegeven geboortedatum in Bulgarije. De minister heeft eisers verklaringen over het afgifteproces van de tazkera’s en het niet kunnen overleggen van een schoolpas niet hoeven volgen. Concludeert de minister ten onrechte dat de problemen van eiser de Taliban, over grondbezit ongeloofwaardig zijn? 12. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat zijn problemen met de Taliban, over grondbezit ongeloofwaardig zijn. 12.1. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen met de Taliban niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister, overeenkomstig Werkinstructie 2024/6, beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 om het voordeel van de twijfel te krijgen. Volgens de minister is dat niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de vereisten in onderdelen b en c van dat artikel. 12.2. De rechtbank behandelt eerst onderdeel b van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 en daarna onderdeel c van dat artikel. Heeft eiser geen goede verklaring voor het hebben van onvoldoende documenten (onderdeel b)? 13. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij onvoldoende documenten heeft en daarvoor geen goede verklaring heeft. 13.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft. De minister heeft in de besluitvorming helder gemotiveerd dat niet valt in te zien waarom eiser geen overlijdensakte heeft overgelegd om de dood van zijn oom te onderbouwen, dan wel een aangifte of politieonderzoek om dit te bevestigen. Dat mocht de minister wel van eiser verwachten, zeker omdat eiser nog contact heeft met zijn andere ooms en broers en zelf heeft aangegeven dat er aangifte is gedaan en er een onderzoek loopt naar de moord van eisers oom. Het is niet in te zien dat eiser zijn oom wel kan vragen om een nieuwe tazkera aan te vragen, maar niet kan informeren naar documenten over zijn oom. Ook over de medische stukken van zijn vader is niet helder waarom hij die niet kan overleggen, terwijl hij zelf zegt dat zijn vader in het ziekenhuis in Mangrahar behandeld werd. Eiser geeft daar alleen een summiere verklaring zonder uitleg. Verder heeft eiser verteld dat hij na een mishandeling in een kliniek behandeld is, met verwondingen aan rug en voeten en twaalf hechtingen in zijn hoofd. Eiser antwoordt wederom ontkennend op de vraag of hij documenten hiervan kan overleggen. Tot slot heeft eiser verklaard dat hij eigendomsdocumenten heeft over de grond die zijn familie bezit en waar een conflict over is met de Taliban. Eiser heeft deze documenten niet overgelegd en het is niet gebleken dat eiser moeite heeft gedaan om hier alsnog aan te komen. Dat eiser geen contact wil opnemen met zijn ooms van vaderskant is geen verschoonbare reden. Volgens eiser zijn de documenten in het bezit van zijn ooms en familie en beschikt zijn familie al zeven generaties over deze documenten. De minister merkt overigens niet ten onrechte op dat volgens het Algemeen Ambtsbericht over Afghanistan van juni 2023 een overlijdensakte kan worden aangevraagd bij lokale overheden met een ziekenhuisverklaring of moratorium. Ook wordt aangifte geregistreerd met een dossiernummer, zodat je de zaak kunt volgen. Deze documenten zijn dus zonder tussenkomst van de ooms op te vragen. Eiser toont niet aan dat hij dat heeft geprobeerd, en dat mag de minister hem aanrekenen. Tussenconclusie 14. De minister stelt zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000. Daarom neemt de minister niet ten onrechte aan dat eiser geen goede verklaring heeft voor het niet hebben van documenten. Vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel (onderdeel c)? 15.
Volledig
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hiertoe voert hij punten aan over de tegenstrijdige verklaringen over de mishandeling en het overlijden van zijn vader en dat hij in de negatieve aandacht staat van de familie met wie hij een conflict heeft over grondbezit en de Taliban. De rechtbank behandelt deze punten hierna per onderdeel. 15.1. Eiser voert aan dat hij geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de mishandeling en het overlijden van zijn vader. Hij heeft hierover weinig details gegeven, omdat deze informatie bekend is bij zijn ooms aan vaderszijde. Eiser wil geen contact met hen, omdat zij van hem verwachtten dat hij in Afghanistan zou blijven om de dood van zijn vader en een oom aan vaderszijde te wreken. Wat betreft het overlijden van zijn vader heeft eiser verklaard dat zijn vader op het hoofd is geslagen en later tijdens een operatie is overleden. Volgens eiser sluit dit niet uit dat het overlijden het gevolg was van een beroerte die door de mishandeling is veroorzaakt. Daarom zijn eisers verklaringen over de mishandeling niet tegenstrijdig. 15.1.1. Dit betoog slaagt niet. De minister werpt niet ten onrechte aan eiser tegen dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hoewel eiser niet per se tegenstrijdige verklaringen aflegt over de mishandeling en het overlijden van zijn vader, zijn de verklaringen van eiser hierover onduidelijk en niet samenhangend. Zijn uitleg over de mishandeling acht de minister niet ten onrechte vaag: op de vraag wie zijn vader heeft geslagen, antwoordt eiser alleen dat hij werd geslagen door ‘vijanden’ maar kan niet vertellen door wie persoonlijk. Aangezien eisers oom bij de mishandeling aanwezig was en zijn vader daarna dertig dagen in het ziekenhuis lag, valt het niet in te zien dat eiser niet aan zijn oom heeft gevraagd wie de dader was. Dat eiser dat niet deed omdat hij zijn vader naar het ziekenhuis bracht, is geen verschoonbare reden. Het is onwaarschijnlijk dat hij in dertig dagen geen moment heeft gehad om dit te vragen of interesse heeft getoond. Ook over de dood van zijn vader wisselt eiser van verhaal. Bij de politie zei hij dat zijn vader een natuurlijk dood stierf, bij het aanmeldgehoor vertelde eiser dat hij door vijanden is vermoord. In het nader gehoor verklaarde eiser dat zijn vader tijdens een operatie aan verwondingen door mishandeling is overleden. Deze verklaringen wisselen teveel en liggen te ver uit elkaar om aannemelijk te zijn. De minister heeft de verklaringen van eiser om die reden dan ook onvoldoende samenhangend mogen vinden. 15.2. Eiser betoogt verder dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht staat van zowel de familie waarmee zijn familie een conflict over grondbezit heeft als van de Taliban. Hij heeft toegelicht dat zijn vaders familie negatief wordt bekeken door de Taliban vanwege samenwerking met de Amerikanen. 15.2.1. Dit betoog slaagt niet. Gelet op onder 13.1 en 15.1.1 heeft de minister het conflict met de Taliban en de andere familie ongeloofwaardig mogen vinden omdat eiser hierover onvoldoende documenten heeft kunnen overleggen zonder goede verklaring en zijn verklaringen over de mishandeling en het overlijden van zijn vader geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft daarom dan ook niet hoeven volgen dat eiser in de negatieve aandacht staat van de Taliban. Bovendien is er geen bewijs dat de Taliban actief naar hem zoekt sinds zijn vertrek uit Afghanistan. Hoewel eiser het heeft gehad over een mishandeling, heeft de minister niet ten onrechte vastgesteld dat er geen direct verband is tussen de aanvallers en de partijen waarmee eisers familie conflicten heeft. Eiser gaf zelf aan dat het slechts een vermoeden is dat zijn aanvallers verband houden met de familie waarmee zijn familie een conflict heeft. Omdat het hier om een onbewezen vermoeden gaat, mocht de minister dit niet als voldoende aannemelijk beschouwen. Tussenconclusie over voorwaarde c 16. De minister stelt zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Daarom acht de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig dat eiser een conflict heeft over grondbezit met de Taliban. Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling 17. De minister stelt zich op grond van het voorgaande niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onderdelen b en c, van de Vw 2000. De minister acht daarom niet ten onrechte ongeloofwaardig dat eiser problemen heeft met de Taliban, over grondbezit. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het terugkeerkader voor Afghanen? 18. Eiser betoogt dat de minister in zijn geval in het besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met het terugkeerkader voor Afghanen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 volgt dat het risico op een onmenselijke behandeling bij terugkeer moet worden beoordeeld aan de hand van de reden van vertrek, het profiel van de terugkeerder en het bestaan van vetes of persoonlijke conflicten. Die beoordeling mist nu. 18.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft over het terugkeerkader voor Afghanen in het besluit helder uitgelegd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2025, dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer in de problemen komt. Eiser heeft geen concrete individuele omstandigheden aangevoerd die hem risico’s opleveren. Alleen het feit dat hij drie jaar in het westen verbleef, is daarvoor onvoldoende. Mocht de minister eisers aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond vanwege misleiding? 19. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit. Eiser heeft hiertegen geen grond ingediend, maar omdat dit onderdeel de kern van deze zaak raakt – namelijk de identiteit van eiser en of die geloofwaardig is – wordt dit onderdeel toch inhoudelijk besproken. 19.1. Misleiden betekent dat een vreemdeling bewust onjuiste informatie geeft of belangrijke informatie achterhoudt om zo een betere positie te verkrijgen voor een verblijfsvergunning. Dit omvat het verstrekken van verkeerde gegevens, valse documenten gebruiken, onjuiste informatie over identiteit of reisroute geven, of relevante documenten achterhouden of vernietigen. Ook als uit systemen van de IND een andere identiteit blijkt dan opgegeven, of er aanwijzingen zijn van vingermutilatie of taalanalyse die de afkomst betwijfelt, wordt dit als misleiding gezien. Het ontbreken van documenten is niet automatisch misleiding; er moet sprake zijn van opzettelijkheid en geloofwaardige verklaringen over eventueel verlies van documenten zijn noodzakelijk. 19.2. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege misleiding. In het besluit is gemotiveerd dat eiser valse documenten heeft overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen. Uit documentenonderzoek van Bureau Documenten op 27 oktober 2023 is gebleken dat de tazkera die eiser op 4 april 2023 heeft overgelegd met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Verder heeft de rechtbank onder 9.2.2 vastgesteld dat eiser in Bulgarije een andere geboortedatum heeft opgegeven dan in Nederland. De minister heeft dit verschil voldoende gemotiveerd en mocht daarom de Bulgaarse registratie meewegen. De valse tazkera en het verschil in leeftijdsregistratie in Nederland en Bulgarije wijst erop dat eiser bewust een andere leeftijd heeft opgegeven om zijn positie te verbeteren, en daarmee de autoriteiten heeft misleid. Eiser heeft dit niet gemotiveerd betwist. Daarnaast heeft eiser onvoldoende gedaan om zijn identiteit alsnog geloofwaardig met documenten te onderbouwen. Op grond van het toetsingskader onder 19.1 mocht de minister concluderen dat eiser de minister heeft misleid. Conclusie en gevolgen 18. Het beroep is gegrond.