Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:20094
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,327 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10573
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk gemotiveerd het standpunt inneemt dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Het beroep is dan ook gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop. Het asielrelaas zoals eiser dit naar voren heeft gebracht staat onder 3. Onder 4 volgt een samenvatting van het bestreden besluit. Vanaf 5 volgen de standpunten van partijen over de (beoordeling van de) geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser en het oordeel van de rechtbank daarover. In 6 staat de conclusie over de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling en wat dat (ook in bredere zin) betekent. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 3 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 27 februari 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2011, heeft de Afghaanse nationaliteit en behoort tot de bevolkingsgroep van de Pashtun. Toen leden van de Islamitische Staat Khorasan Provincie (ISKP) in 2020 inkopen kwamen doen in de levensmiddelenwinkel van eisers vader in Ramejay bazar, raakten zij in conflict met mensen van de autoriteiten. Daarbij werd geschoten. Twee weken later zag eiser dat zijn vader in diens winkel in een discussie was verwikkeld met ISKP-leden, omdat zij dachten dat eisers vader hen bij het eerdere bezoek aan de winkel had verlinkt. Eisers vader werd vervolgens door hen aangevallen en meegenomen. Toen eiser zijn vader probeerde te helpen, werd hij mishandeld en belandde hij in het ziekenhuis. Eiser ging samen met zijn broer op zoek naar zijn vader en deed aangifte bij de autoriteiten van de gebeurtenis in de winkel. Een week later werd eiser gebeld met de mededeling dat hij zich de dag erna bij Ramejay bazar moest melden. Vrienden van de man tegen wie eiser aangifte had gedaan waren opgepakt. Eiser is daarop vertrokken naar Kabul. Eisers familie werd daarna drie keer bezocht door de ISKP. Bij het laatste bezoek werd eisers broer door hen vermoord. Eiser besloot daarop om Afghanistan te ontvluchten. Eisers familie bleef benaderd worden door de ISKP, op zoek naar hem. Na de machtsovername benaderden de Taliban eisers familie met een oproep waarin staat dat eiser zich bij hen moet melden. De Taliban blijven bij eisers familie langskomen. Bij terugkeer vreest eiser voor de Taliban omdat hij aangifte deed tegen ISKP-leden en zij nu samenwerken. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn relaas onder andere een kopie van de aangifte en van de oproep overgelegd.
Het bestreden besluit
4. De minister hecht geloof aan de verklaringen van eiser over zijn identiteit, Afghaanse nationaliteit, herkomst en Pashtun afkomst. De verklaringen van eiser over de problemen met de ISKP en de daaruit volgende problemen met de Taliban acht de minister niet geloofwaardig. De reden die de minister daarvoor geeft is dat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd die dit asielmotief volledig onderbouwen. Omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), is dit asielmotief niet alsnog geloofwaardig. Eisers verklaringen vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister stelt zich verder op het standpunt dat de omstandigheid dat eiser als asielzoeker uit een westers land terugkeert naar Afghanistan onvoldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Taliban. Omdat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en hij geen reëel risico loopt op ernstige schade, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000, aldus de minister.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
Standpunt van de minister in de bestreden besluitvorming
5. De minister stelt zich om de volgende redenen op het standpunt dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. (1) Eiser verklaart vaag over de telefonische bedreiging na de aangifte. Dat eiser werd bedreigd door de ISKP baseert hij op niet onderbouwde vermoedens. Eiser maakt niet duidelijk dat het telefoontje afkomstig was van de ISKP en evenmin hoe de ISKP op de hoogte is geraakt van de aangifte. Onder de gegeven omstandigheden wordt verwacht dat eiser hierover meer kan verklaren. Bovendien hebben de moeder en echtgenote van eiser na zijn vertrek naar Kabul geen problemen ondervonden van de ISKP. De ISKP zou bij zijn familie naar hem hebben gevraagd, maar eiser kan niet benoemen hoe vaak zij langskwamen. Eisers verklaring dat zijn broertje werd gedood door de ISKP omdat zij vernomen zouden hebben dat hij eiser vergezelde bij het doen van de aangifte, berust eveneens op vermoedens. (2) Eiser verklaart niet logisch over de relatie tussen de ISKP en de Taliban. Eisers verklaring dat de betreffende ISKP-leden na de machtsovername zijn overgestapt naar de Taliban en dat zij vanwege de aangifte uit zijn op wraak, komt niet overeen met informatie zoals opgenomen in algemeen ambtsberichten over Afghanistan. Daaruit volgt dat de ISKP en de Taliban in ideologie en praktijk tegenover elkaar staan en elkaar actief bestrijden. Hoewel niet valt uit te sluiten en het voorkomt dat leden van de ISKP overstappen naar de Taliban en vice versa, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de ISKP-leden die naar hem op zoek zijn, zijn overgestapt naar en samenwerken met de Taliban en hij nu gezocht wordt door beide partijen. Eiser verklaart hierover summier en weinig inzichtelijk en onderbouwt zijn stellingen niet. (3) Eiser maakt niet inzichtelijk waarom de Taliban nog altijd zo actief naar hem op zoek zouden zijn vanwege een aangifte tegen een ISKP-lid uit 2020. Er zat twee jaar tussen de door eiser gestelde gebeurtenissen en de machtsovername door de Taliban. De aangifte is ten tijde van het bestreden besluit vijf jaar geleden. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij in de negatieve aandacht van de Taliban zou staan. Dat het een wraakactie is omdat dit de traditie is, is een aanname van eiser. (4) Eiser verklaart niet logisch over de werkwijze van de Taliban. Eiser verklaart dat de Taliban af en toe bij zijn familie langskomen om te vragen waar hij is en dat de laatste keer een huiszoeking is gedaan, terwijl niet valt in te zien waarom de Taliban op goed geluk huiszoekingen zouden doen in de hoop eiser aan te treffen. Wanneer de prioriteit zo hoog zou liggen om eiser te arresteren, wordt van een organisatie die in staat is gebleken een heel land onder controle te brengen, een meer doordachte opsporingstechniek verwacht. Het is aan eiser om inzicht te geven in de manier van opsporen van de Taliban. Dat heeft hij niet gedaan. Verder hebben (5) de overgelegde foto’s van de broer van eiser niet de waarde die eiser wenst. De kopie van eisers taskera (identiteitskaart) en die van zijn broer kunnen niet worden onderzocht op echtheid, zodat aan de hand van de foto niet kan worden vastgesteld dat dit eisers broer is. Ervan uitgaande dat het eisers broer is, kan aan de hand van een foto bovendien niet worden vastgesteld of eisers broer is omgekomen door geweld van de ISKP of door ander willekeurig geweld. Aan (6) de kopie van de oproep wordt evenmin de waarde toegekend die eiser wenst. Omdat het een kopie betreft kan het stuk niet worden onderzocht op echtheid of inhoudelijke juistheid. Verder staat in het stuk dat eiser zich moet melden bij de recherche, maar niet waarom. Dat de naam van het ISKP-lid dat eisers vader zou hebben ontvoerd op het stuk staat, maakt nog niet dat eiser zelf wordt gezocht door de ISKP of de Taliban. Daarom onderbouwt dit stuk eisers asielmotief niet, aldus de minister.
Betoog van eiser
5.1.
Eiser is het niet met het bestreden besluit eens. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende deugdelijk gemotiveerd tot de conclusie komt dat geen geloof wordt gehecht aan zijn asielrelaas. Daartoe voert eiser aan dat het onredelijk is dat hem wordt tegengeworpen dat hij vaag verklaart over hoe de ISKP op de hoogte zou zijn geraakt van het feit dat hij aangifte heeft gedaan van de ontvoering van zijn vader. Eiser kan hierover enkel vermoedens hebben en heeft hier duidelijk en aannemelijk over verklaard. Bovendien, zo betoogt eiser, is de motivering van de minister over de moord op zijn broertje, namelijk dat het niet duidelijk is dat dit het gevolg was van een probleem met de ISKP omdat eiser niet inzichtelijk zou hebben gemaakt dat de telefonische bedreiging van de ISKP afkomstig was, onnavolgbaar.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. De minister heeft het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Dat is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister moet met inachtneming van deze uitspraak opnieuw (en volledig en beter gemotiveerd) op de asielaanvraag van eiser beslissen. De rechtbank geeft de minister hiervoor vier weken de tijd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw op de aanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1.814,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De minister verwijst naar ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4649, ECLI:NL:RVS:2024:4648 en ECLI:NL:RVS:2024:4647.
De minister verwijst naar het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse zaken van november 2020, pagina 38 en naar dat van juni 2023, pagina 17 en verder.
Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar ‘Report Afghanistan: Blood feuds, traditional law (pashtunwali) and traditional conflict resolution’ van het Noorse Landinfo – Country of Origin Information Centre, van 1 november 2011.
De minister verwijst naar het algemeen ambtsbericht over Afghanistan uit 2020, pagina 38, dat uit 2022, pagina 36 en dat uit 2023, pagina 19.
Beoordeling
Eiser verwijst in dat verband naar de opeenvolging van gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan en waarover hij heeft verklaard. Ook los van het telefonische dreigement is het volgens eiser duidelijk dat sprake was van problemen met de ISKP. Eisers vader is ontvoerd door de ISKP, eiser heeft de mishandeling van zijn vader gezien en de ISKP kwam aan de deur om naar eiser te vragen. Onder die omstandigheden is het volgens eiser aannemelijk dat het telefoontje van de ISKP afkomstig was. Verder betoogt eiser dat de minister onvoldoende deugdelijk reageert op de informatie uit openbare bron die hij heeft ingebracht over de ISKP en de verhouding tussen de ISKP en de Taliban. Dat de ISKP in het woongebied van eiser actief was, deze strijd leverde tegen de overheid en de Taliban inmiddels de controle hebben over het gebied, past bij wat uit openbare landeninformatie bekend is over het gebied. Uit die informatie volgt ook dat het bekend is dat ISKP-strijders naar de Taliban zijn overgelopen en dat in Afghanistan sprake is van een traditie van overlopen van de verliezende naar de winnende partij. Volgens eiser is het zeker in Nangarhar, waar hij vandaan komt, aannemelijk dat ISKP-leden zijn overgelopen naar de Taliban. De minister heeft volgens eiser ten onrechte niet in positieve zin bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn relaas betrokken dat zijn verklaringen passen bij wat algemeen bekend is. Daar komt volgens eiser nog bij dat de naam van het ISKP-lid dat zijn vader ontvoerde ( [persoon A] ) op de oproep van de Taliban staat. Omdat het aannemelijk is dat het ISKP-lid dat hem vanwege de aangifte zocht is overgestapt naar de Taliban, betoogt eiser dat de motivering van de minister waarom hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Taliban hem nog zoeken, niet kan worden gevolgd. Bovendien gaat het volgens eiser, anders dan de minister volgens hem lijkt te hebben opgevat, niet over een wraakactie, maar zijn de Taliban bang dat eiser wraak op hen wil nemen omdat eisers vader en broertje zijn vermoord. In de Pashtun-traditie wordt dan van de familie verwacht dat wraak wordt genomen. De moordenaars van eisers vader en broertje vrezen een actie van eisers kant en willen hem daarom doden. Dat de voormalige ISKP-leden eiser in de gaten houden en controleren of hij thuis is, is daarmee eveneens logisch. Tot slot betoogt eiser dat de minister ten onrechte geen waarde toekent aan de overgelegde foto’s. Hieruit blijkt namelijk dat zijn broertje een gewelddadige dood is gestorven waarmee deze zijn relaas gedeeltelijk onderbouwen. Over de overgelegde oproep van de Taliban voert eiser aan dat de minister miskent dat hieruit niet zou volgen waarom eiser wordt gezocht. De naam van [persoon A] wordt daar immers vermeld. Ook miskent de minister dat een oproep van de Taliban sowieso een reden voor zorg en vrees voor ernstige schade is, aldus eiser.
Reactie van de minister op het betoog van eiser
5.2.
In het verweerschrift geeft de minister een uiteenzetting van de voor hem belangrijkste argumenten voor het niet geloofwaardig achten van de verklaringen van eiser over de problemen met de ISKP en de daaruit volgende problemen met de Taliban. Allereerst acht de minister daartoe van belang dat de verklaring van eiser dat ISKP-strijders in zijn woonplaats na de machtsovername zouden zijn gaan samenwerken met de Taliban en daar hoge posities verkregen, niet rijmt met informatie in algemeen ambtsberichten. Verder baseert eiser slechts op een opeenstapeling van vermoedens dat hij is gebeld door een (onbekend gebleven) strijder van de ISKP. Dat eiser enkel kopieën van stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn relaas doet afbreuk aan de bewijswaarde van die stukken omdat die niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht. Bovendien blijkt uit de overgelegde oproep niet wat de reden van de oproep is. Verder is de naam van [persoon A] , ondanks de verklaring van eiser dat hij die tijdens de aangifte genoemd zou hebben, niet in de aangifte terug te vinden. Eiser heeft ook weinig gedetailleerd verklaard over [persoon A] , terwijl dit een sleutelfiguur in eisers asielrelaas is. Uit de overgelegde foto’s is niet af te leiden of het daadwerkelijk om eisers broer gaat, wanneer deze zijn genomen en evenmin wat de toedracht van diens overlijden zou zijn geweest. Tot slot is eisers verklaring dat de problemen met de ISKP zouden zijn ontstaan na een conflict tussen eisers vader en leden van de ISKP die zijn vader ervan zouden hebben beschuldigd dat hij de autoriteiten zou hebben verteld waar zij te vinden waren, niet te rijmen met eisers verklaring dat de strijders van de ISKP in zijn woonplaats herkenbaar waren en zich niet verborgen hielden. Dan valt de reden van het conflict niet in te zien, aldus de minister.
Oordeel van de rechtbank
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat eisers verklaringen over de problemen met de ISKP en de daaruit volgende problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn.
5.3.1.
Allereerst constateert de rechtbank dat de minister in het verweerschrift een aantal argumenten benoemt waarop de ongeloofwaardigheid van het relaas van eiser volgens hem met name is gebaseerd, terwijl de minister die niet of niet op die wijze aan zijn standpunt in het bestreden besluit ten grondslag legt.
Dit geldt onder andere voor de tegenwerping dat de verklaring van eiser dat ISKP-strijders in zijn woonplaats na de machtsovername zouden zijn gaan samenwerken met de Taliban en daar hoge posities verkregen, niet rijmt met informatie in algemeen ambtsberichten. Het standpunt van de minister in de besluitvorming vat de rechtbank zo op dat, hoewel uit algemeen ambtsberichten volgt dat de ISKP en de Taliban tegenover elkaar staan en elkaar actief bestrijden, het niet valt uit te sluiten en het ook voorkomt dat leden van de ISKP overstappen naar de Taliban. Eiser heeft volgens de minister echter niet aannemelijk gemaakt dat de ISKP-leden die naar hem op zoek zijn, zijn overgestapt naar en samenwerken met de Taliban en hij nu wordt gezocht door beide partijen. Verder zijn de tegenwerpingen in het verweerschrift dat de naam van [persoon A] niet in de aangifte zou staan, dat eiser weinig gedetailleerd verklaart over [persoon A] en dat eiser ongerijmd verklaart over het conflict tussen zijn vader en leden van de ISKP niet als zodanig in de besluitvorming terug te vinden. Het komt de rechtbank vreemd voor dat dit dan tegenwerpingen zijn waar het standpunt over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen met name op is gebaseerd.
5.3.2.
In reactie op eisers betoog dat het gelet op de opeenstapeling van gebeurtenissen voorafgaand aan het dreigtelefoontje (en dat wat tijdens dat telefoontje is gezegd) niet anders kan dan dat dit afkomstig was van de ISKP, neemt de minister op de zitting desgevraagd (uiteindelijk) het standpunt in dat eisers verklaringen over de gebeurtenissen die aan het dreigtelefoontje voorafgingen in de besluitvorming niet als zodanig op geloofwaardig zijn beoordeeld. Het gaat dan om de verklaringen over de confrontatie tussen de ISKP en leger bij de winkel van eisers vader, de mishandeling en ontvoering van eisers vader, de mishandeling van eiser zelf, het rondvragen door eiser naar zijn vader en de aangifte tegen de ISKP. In het voornemen is eiser in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over de problemen met de ISKP en later de Taliban tegengeworpen dat hij niet logisch heeft verklaard over het bezoek van de ISKP-strijders aan de winkel van zijn vader. In het bestreden besluit is die tegenwerping niet langer gehandhaafd gelet op wat eiser daarover in de zienswijze had aangevoerd.
Beoordeling
Hoewel eiser in de zienswijze ook heeft gewezen op dat wat aan het dreigtelefoontje voorafging, ter onderbouwing van zijn verklaring dat het aannemelijk is dat de beller van de ISKP was, wordt uit het bestreden besluit niet duidelijk of de minister wel of niet geloofwaardig acht dat de confrontatie bij de winkel heeft plaatsgevonden, dat eisers vader na een conflict met de ISKP door hen is mishandeld en ontvoerd, dat eiser daarbij zelf is mishandeld, dat eiser en zijn broertje in de omgeving hebben rondgevraagd naar hun vader en dat eiser aangifte heeft gedaan van de ontvoering. Eiser wordt in dit verband (enkel) tegengeworpen dat hij onvoldoende inzichtelijk verklaart over het dreigtelefoontje op zichzelf, omdat hij het op niet onderbouwde vermoedens baseert dat dit telefoontje van de ISKP afkomstig was en hij onvoldoende aannemelijk maakt hoe de ISKP van de aangifte op de hoogte is geraakt, als gevolg waarvan eiser het dreigtelefoontje zou hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de minister, door zich niet uit te laten over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over de gebeurtenissen die voorafgingen aan het gestelde dreigtelefoontje, en die daarmee volgens eiser samenhingen, een te beperkte geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht. De minister moet zich uit oogpunt van volledigheid en zorgvuldigheid bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over de problemen met de ISKP en later de Taliban, uitlaten over de geloofwaardigheid van de (elkaar opvolgende) gebeurtenissen zoals die zich volgens eiser hebben voorgedaan. Verklaringen die volgens eiser met elkaar samenhangen, zijn nu ook onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat wanneer bijvoorbeeld geloofwaardig zou worden geacht dat eisers vader is ontvoerd door de ISKP en eiser daarvan aangifte heeft gedaan, dit andere verklaringen, zoals de verklaring van eiser dat het dreigtelefoontje van ISKP afkomstig was, wellicht in een ander daglicht kan stellen en dat dit ook kan doorwerken in de geloofwaardigheid van verklaringen van eiser over wat nadien is gebeurd. Verklaringen van eiser (en in dat verband overgelegde stukken) grijpen meerdere keren op elkaar terug. Dat de minister in het verweerschrift wel een standpunt lijkt in te nemen over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over het conflict tussen de ISKP-leden en eisers vader, vindt de rechtbank in dit verband onvoldoende. Dit standpunt heeft de minister niet eerder ingenomen en ook als sprake is van een ongeloofwaardig geachte gebeurtenis die het beginpunt vormt van een verhaallijn, is het aan de minister om opvolgende gebeurtenissen zoveel mogelijk op hun eigen merites te beoordelen.
6. Gelet op wat in 5.3.1 en 5.3.2 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die nu is verricht geen stand kan houden. De minister zal zich opnieuw en beter gemotiveerd moeten uitlaten over de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Vanwege de aard van het gebrek en de integrale beoordeling die de minister moet maken, ziet de rechtbank geen reden om de beroepsgronden die eiser tegen de overige tegenwerpingen aanvoert, te bespreken. Ook als de rechtbank tot de conclusie zou komen dat die beroepsgronden falen, maakt dat het oordeel niet anders dat de minister zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn problemen met de ISKP en als gevolg daarvan met de Taliban ongeloofwaardig zijn. Omdat het standpunt over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn problemen ook relevant is voor de beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade omdat hij daar in de negatieve belangstelling zou staan van de Taliban, laat de rechtbank zich evenmin uit over de beroepsgronden van eiser die daartegen zijn gericht. Daarvoor is namelijk onder andere van belang het bestaan van vetes en persoonlijke conflicten.