Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:8920
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,728 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32801
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 3 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 augustus 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 1] als waarnemer van de gemachtigde van eiser, [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder, mr. S.J.R.R. Brock.
1.2.
Het onderzoek is heropend vanwege de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024 over het risico voor Afghaanse vreemdelingen bij terugkeer na een verblijf in Europa. Verweerder heeft op 16 december 2024 een schriftelijke reactie ingediend, waarop de gemachtigde van eiser op 2 januari 2025 heeft gereageerd en heeft verzocht om een nadere zitting.
1.3.
Op de zitting van 17 april 2025 is het onderzoek hervat. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart eisers beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser is van Afghaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1993. Eiser heeft vanaf 2015 tot de machtsovername door de Taliban gewerkt in het leger als bewaker bij een militair vliegveld. Vanwege zijn vrees dat de Taliban hem iets aan zouden doen, is eiser zes weken ondergedoken. Nadat eisers vader van een plaatselijke winkelier had gehoord dat de Taliban op zoek zijn naar eiser, is eiser Afghanistan ontvlucht. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest hij door de Taliban te worden gedood vanwege zijn werkzaamheden voor het leger.
Het bestreden besluit
5. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook eisers werkzaamheden bij het militair vliegveld vindt verweerder geloofwaardig. Verweerder concludeert dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eisers vrees voor problemen met de Taliban vanwege zijn werkzaamheden voor het Afghaanse leger vindt verweerder niet aannemelijk. Niet is gebleken dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht staat of zal staan van de Taliban. Eiser is niet rechtstreeks bedreigd. Van de persoon die langs zou zijn gegaan bij door eiser genoemde winkelier is geen naam bekend en bovendien is niet aannemelijk dat deze persoon betrokken is bij de Taliban. Voorts is niet gebleken dat de Taliban actief op zoek is geweest naar eiser in de periode dat hij zat ondergedoken, terwijl eiser ook heeft verklaard dat in zijn dorp verschillende mensen informatie delen met de Taliban over wie waar woont en wie welk werk deed. Ook familieleden van eiser hebben geen problemen ondervonden. Personen die voor de voormalige overheid hebben gewerkt worden niet langer aangemerkt als risicogroep. Het risico is sterk afhankelijk van individuele omstandigheden. Tot slot overweegt verweerder dat eiser geen reëel risico loopt vanwege zijn enkele verblijf in het Westen.
Eisers beroepsgronden
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat verweerder ten onrechte zijn problemen met de Taliban niet geloofwaardig acht en niet beoordeelt als asielmotief. Daarmee concludeert verweerder onterecht dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade. Op 3 oktober 2021 is naar eiser gevraagd bij de winkelier door [naam 3], wiens vader lid is van de Taliban. Ter onderbouwing overlegt eiser een verklaring van de winkelier. Daarmee is sprake van bedreiging en persoonlijke problemen. Dat er geen inval heeft plaatsgevonden in eisers huis, is niet vreemd. De winkelier had immers aangegeven dat eiser sinds de machtsovername door de Taliban niet meer is gezien. Daarom is het ook niet vreemd dat nadien – voor zover eiser weet - geen navraag meer is gedaan naar eiser. Dat eisers vader geen objectieve en verifieerbare bron is, wordt door verweerder niet gemotiveerd. Verder wijst eiser erop dat verweerder ten onrechte verwacht dat eiser het lidmaatschap van leden van de Taliban kan aantonen; dat is onmogelijk. Verder stelt eiser dat verweerder informatie uit het Algemeen Ambtsbericht verdraait: verweerder gaat er ten onrechte vanuit dat familieleden standaard worden bedreigd als zij een persoon niet kunnen traceren. Ook vindt eiser dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser beperkte verklaringen heeft afgelegd. Voorts wijst eiser op het Algemeen Ambtsbericht 2023, waaruit volgt dat vervolging van oud-medewerkers van het voormalig regime doorgaat. Ter onderbouwing van dit standpunt overlegt eiser een aantal foto’s van mannen die in het leger hebben gediend en door de Taliban zijn vermoord. Eiser stelt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 3 van het Antifolterverdag als hij moet terugkeren naar Afghanistan. Daarbij wijst eiser erop dat hij een risico loopt vanwege zijn verblijf als vluchteling in het Westen. Eiser wijst in dit kader op jurisprudentie en het Algemeen Ambtsbericht 2023, waaruit volgt dat er onvoldoende informatie beschikbaar is over de positie van terugkerende asielzoekers.
Had verweerder eisers vrees voor problemen met de Taliban als zelfstandig asielmotief moeten beoordelen?
7. Verweerder heeft in zijn voornemen eisers vrees voor problemen met de Taliban niet als zelfstandig element genoemd, maar verweerder heeft dit wel beoordeeld onder de bespreking van de vraag of eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico op ernstige schade loopt. De gestelde vrees is niet als zelfstandig asielmotief aangemerkt, omdat eiser heeft verklaard geen problemen te hebben gehad met de Taliban en het om een toekomstige vrees gaat.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers vrees voor problemen met de Taliban niet ten onrechte niet als zelfstandig asielmotief heeft beoordeeld. Eiser verklaart op pagina 8 van het nader gehoor dat hij niet naar buiten ging en enkel informatie via anderen ontving. Eiser zat thuis ondergedoken, maar er is niemand bij hem thuis langs geweest, zo verklaart eiser op pagina 9 van het nader gehoor. Verweerder heeft hieruit niet ten onrechte afgeleid dat eiser geen problemen met de Taliban heeft gehad in Afghanistan en het een vrees voor toekomstige problemen betreft. Deze vrees is door verweerder beoordeeld.
Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade vanwege zijn vrees voor problemen met de Taliban?
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser zijn vrees voor problemen met de Taliban niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat oud-medewerkers van de voormalige overheid niet langer als risicogroep worden aangemerkt. Of een voormalig overheidsmedewerker een risico loopt, is sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden. De foto’s van vermoorde oud-medewerkers van het leger tonen niet aan dat eiser zelf een risico loopt.
10. Als individuele omstandigheid heeft eiser naar voren gebracht dat hij via zijn vader heeft gehoord dat naar hem is gevraagd bij de plaatselijke winkelier door de zoon van een Talibanlid. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het enkel vermoedens betreft dat de betreffende persoon betrokken is bij de Taliban. De verklaring van de winkelier doet daaraan niets af; dit is geen objectief verifieerbare bron. Verder heeft verweerder mogen meewegen dat nadien niet meer is gevraagd naar eiser. Ook eisers familie heeft geen problemen ondervonden. Eiser stelling dat verweerder het Algemeen Ambtsbericht hier verdraait, volgt de rechtbank niet. In het bestreden besluit overweegt verweerder – in lijn met het ambtsbericht - dat het feit dat eisers familieleden niet zijn bedreigd, op zichzelf niet betekent dat eiser niet gezocht wordt door de Taliban. Daarbij overweegt verweerder dat hij vooral relevant vindt dat er op geen enkele manier contact is opgenomen of navraag is gedaan bij eisers familie. Verweerder concludeert daaruit niet ten onrechte dat het niet aannemelijk is dat eiser wordt gezocht door de Taliban.
Loopt eiser (overigens) bij terugkeer vanuit Europa het risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM?
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Zoals de Afdeling op 20 november 2024 heeft geoordeeld, volgt uit openbare bronnen niet dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan.
Conclusie
13. Eisers beroep is ongegrond. Daarmee blijft verweerders besluit om de asielaanvraag af te wijzen in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2025 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2024:4647, ECLI:NL:RVS:2024:4648 en ECLI:NL:RVS:2024:4649.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 28 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2720 en zittingsplaats Rotterdam van 19 juni 2024, met zaaknummer NL24.11900.
Zie de beslisnota landenbeleid Afghanistan van 2 oktober 2023.
European Union Agency for Asylum.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32801
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 3 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 augustus 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 1] als waarnemer van de gemachtigde van eiser, [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder, mr. S.J.R.R. Brock.
1.2.
Het onderzoek is heropend vanwege de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024 over het risico voor Afghaanse vreemdelingen bij terugkeer na een verblijf in Europa. Verweerder heeft op 16 december 2024 een schriftelijke reactie ingediend, waarop de gemachtigde van eiser op 2 januari 2025 heeft gereageerd en heeft verzocht om een nadere zitting.
1.3.
Op de zitting van 17 april 2025 is het onderzoek hervat. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart eisers beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser is van Afghaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1993. Eiser heeft vanaf 2015 tot de machtsovername door de Taliban gewerkt in het leger als bewaker bij een militair vliegveld. Vanwege zijn vrees dat de Taliban hem iets aan zouden doen, is eiser zes weken ondergedoken. Nadat eisers vader van een plaatselijke winkelier had gehoord dat de Taliban op zoek zijn naar eiser, is eiser Afghanistan ontvlucht. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest hij door de Taliban te worden gedood vanwege zijn werkzaamheden voor het leger.
Het bestreden besluit
5. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook eisers werkzaamheden bij het militair vliegveld vindt verweerder geloofwaardig. Verweerder concludeert dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eisers vrees voor problemen met de Taliban vanwege zijn werkzaamheden voor het Afghaanse leger vindt verweerder niet aannemelijk. Niet is gebleken dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht staat of zal staan van de Taliban. Eiser is niet rechtstreeks bedreigd. Van de persoon die langs zou zijn gegaan bij door eiser genoemde winkelier is geen naam bekend en bovendien is niet aannemelijk dat deze persoon betrokken is bij de Taliban. Voorts is niet gebleken dat de Taliban actief op zoek is geweest naar eiser in de periode dat hij zat ondergedoken, terwijl eiser ook heeft verklaard dat in zijn dorp verschillende mensen informatie delen met de Taliban over wie waar woont en wie welk werk deed. Ook familieleden van eiser hebben geen problemen ondervonden. Personen die voor de voormalige overheid hebben gewerkt worden niet langer aangemerkt als risicogroep. Het risico is sterk afhankelijk van individuele omstandigheden. Tot slot overweegt verweerder dat eiser geen reëel risico loopt vanwege zijn enkele verblijf in het Westen.
Eisers beroepsgronden
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat verweerder ten onrechte zijn problemen met de Taliban niet geloofwaardig acht en niet beoordeelt als asielmotief. Daarmee concludeert verweerder onterecht dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade. Op 3 oktober 2021 is naar eiser gevraagd bij de winkelier door [naam 3], wiens vader lid is van de Taliban. Ter onderbouwing overlegt eiser een verklaring van de winkelier. Daarmee is sprake van bedreiging en persoonlijke problemen. Dat er geen inval heeft plaatsgevonden in eisers huis, is niet vreemd. De winkelier had immers aangegeven dat eiser sinds de machtsovername door de Taliban niet meer is gezien. Daarom is het ook niet vreemd dat nadien – voor zover eiser weet - geen navraag meer is gedaan naar eiser. Dat eisers vader geen objectieve en verifieerbare bron is, wordt door verweerder niet gemotiveerd. Verder wijst eiser erop dat verweerder ten onrechte verwacht dat eiser het lidmaatschap van leden van de Taliban kan aantonen; dat is onmogelijk. Verder stelt eiser dat verweerder informatie uit het Algemeen Ambtsbericht verdraait: verweerder gaat er ten onrechte vanuit dat familieleden standaard worden bedreigd als zij een persoon niet kunnen traceren. Ook vindt eiser dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser beperkte verklaringen heeft afgelegd. Voorts wijst eiser op het Algemeen Ambtsbericht 2023, waaruit volgt dat vervolging van oud-medewerkers van het voormalig regime doorgaat. Ter onderbouwing van dit standpunt overlegt eiser een aantal foto’s van mannen die in het leger hebben gediend en door de Taliban zijn vermoord. Eiser stelt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 3 van het Antifolterverdag als hij moet terugkeren naar Afghanistan. Daarbij wijst eiser erop dat hij een risico loopt vanwege zijn verblijf als vluchteling in het Westen. Eiser wijst in dit kader op jurisprudentie en het Algemeen Ambtsbericht 2023, waaruit volgt dat er onvoldoende informatie beschikbaar is over de positie van terugkerende asielzoekers.
Had verweerder eisers vrees voor problemen met de Taliban als zelfstandig asielmotief moeten beoordelen?
7. Verweerder heeft in zijn voornemen eisers vrees voor problemen met de Taliban niet als zelfstandig element genoemd, maar verweerder heeft dit wel beoordeeld onder de bespreking van de vraag of eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico op ernstige schade loopt. De gestelde vrees is niet als zelfstandig asielmotief aangemerkt, omdat eiser heeft verklaard geen problemen te hebben gehad met de Taliban en het om een toekomstige vrees gaat.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers vrees voor problemen met de Taliban niet ten onrechte niet als zelfstandig asielmotief heeft beoordeeld. Eiser verklaart op pagina 8 van het nader gehoor dat hij niet naar buiten ging en enkel informatie via anderen ontving. Eiser zat thuis ondergedoken, maar er is niemand bij hem thuis langs geweest, zo verklaart eiser op pagina 9 van het nader gehoor. Verweerder heeft hieruit niet ten onrechte afgeleid dat eiser geen problemen met de Taliban heeft gehad in Afghanistan en het een vrees voor toekomstige problemen betreft. Deze vrees is door verweerder beoordeeld.
Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade vanwege zijn vrees voor problemen met de Taliban?
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser zijn vrees voor problemen met de Taliban niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat oud-medewerkers van de voormalige overheid niet langer als risicogroep worden aangemerkt. Of een voormalig overheidsmedewerker een risico loopt, is sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden. De foto’s van vermoorde oud-medewerkers van het leger tonen niet aan dat eiser zelf een risico loopt.
10. Als individuele omstandigheid heeft eiser naar voren gebracht dat hij via zijn vader heeft gehoord dat naar hem is gevraagd bij de plaatselijke winkelier door de zoon van een Talibanlid. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het enkel vermoedens betreft dat de betreffende persoon betrokken is bij de Taliban. De verklaring van de winkelier doet daaraan niets af; dit is geen objectief verifieerbare bron. Verder heeft verweerder mogen meewegen dat nadien niet meer is gevraagd naar eiser. Ook eisers familie heeft geen problemen ondervonden. Eiser stelling dat verweerder het Algemeen Ambtsbericht hier verdraait, volgt de rechtbank niet. In het bestreden besluit overweegt verweerder – in lijn met het ambtsbericht - dat het feit dat eisers familieleden niet zijn bedreigd, op zichzelf niet betekent dat eiser niet gezocht wordt door de Taliban. Daarbij overweegt verweerder dat hij vooral relevant vindt dat er op geen enkele manier contact is opgenomen of navraag is gedaan bij eisers familie. Verweerder concludeert daaruit niet ten onrechte dat het niet aannemelijk is dat eiser wordt gezocht door de Taliban.
Loopt eiser (overigens) bij terugkeer vanuit Europa het risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM?
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Zoals de Afdeling op 20 november 2024 heeft geoordeeld, volgt uit openbare bronnen niet dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan.
Conclusie
13. Eisers beroep is ongegrond. Daarmee blijft verweerders besluit om de asielaanvraag af te wijzen in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2025 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2024:4647, ECLI:NL:RVS:2024:4648 en ECLI:NL:RVS:2024:4649.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 28 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2720 en zittingsplaats Rotterdam van 19 juni 2024, met zaaknummer NL24.11900.
Zie de beslisnota landenbeleid Afghanistan van 2 oktober 2023.
European Union Agency for Asylum.