Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:8157
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,147 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4380
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: J. Raaijmakers).
Procesverloop
In een besluit van 28 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H.N. Kösen-Altun. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De grondslag van de maatregel van bewaring
1. Eiser voert aan dat hij op de verkeerde wettelijke grondslag in bewaring is gesteld. Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring blijkt dat de minister op dat moment al op de hoogte was van de asielaanvraag die eiser heeft ingediend. De juiste wettelijke grondslag is volgens eiser daarom artikel 59b van de Vw 2000.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de maatregel van bewaring terecht heeft gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000. De reden daarvoor is dat bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gesteld bepalend is of op hem Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) van toepassing is. Tussen partijen is niet in geschil dat dat het geval is. De omstandigheid dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend, maakt dat niet anders. Voornoemd uitgangspunt geldt immers ook bij samenloop van de bewaringsgrondslagen als vermeld in artikel 59a en 59b van de Vw 2000.
De gronden van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
2.1.
Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggende gronden niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggende gronden onvoldoende zijn om deze te kunnen dragen.
Verzoek om heroverweging
3. Eiser voert aan dat het verzoek om heroverweging dat de Nederlandse autoriteiten op 6 februari 2025 op grond van de Dublinverordening hebben ingediend bij de Kroatische autoriteiten kansloos is, omdat dit is gebaseerd op dezelfde gronden als het eerdere verzoek om eiser terug te nemen. Hij wijst daarbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 24 april 2024. Volgens eiser is de maatregel van bewaring daarom vanaf 4 februari 2025, zijnde de datum waarop het claimverzoek door Kroatië is geweigerd, onrechtmatig.
3.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank is een verzoek om heroverweging bij uitstek bedoeld om een lidstaat die een eerder verzoek om overname of terugname heeft geweigerd, te verzoeken om dat verzoek opnieuw te beoordelen. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat daarvoor per se sprake moet zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Uit artikel 5, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1560/2003 (de Uitvoeringsverordening) volgt immers dat een lidstaat kan vragen dat zijn verzoek opnieuw wordt onderzocht wanneer die lidstaat van oordeel is dat de weigering op een beoordelingsfout berust óf wanneer hij over aanvullende elementen beschikt die hij kan doen gelden. Uit de tekst van het heroverwegingsverzoek blijkt afdoende dat de Nederlandse autoriteiten van oordeel zijn dat de weigering van het claimverzoek door de Kroatische autoriteiten op een beoordelingsfout berust. Bovendien hebben de Kroatische autoriteiten de Nederlandse autoriteiten ook expliciet verzocht om nadere informatie te verstrekken, zodat eiser ook om die reden niet kan worden gevolgd in het standpunt dat het verzoek om heroverweging per definitie niet tot een andere uitkomst zal leiden.
3.2.
De verwijzing van eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 24 april 2024 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak ging het om de vraag of een claimakkoord tot stand was gekomen tussen de Nederlandse autoriteiten en de Duitse autoriteiten. De rechtbank heeft in die uitspraak weliswaar ook een overweging opgenomen over de kansrijkheid van een heroverwegingsverzoek aan de autoriteiten van Kroatië met dezelfde inhoud als een eerder overname- of terugnameverzoek, maar de minister kan worden gevolgd in het standpunt dat daaruit niet in algemene zin kan worden geconcludeerd dat elk verzoek om heroverweging (aan de Kroatische autoriteiten) bij voorbaat kansloos is.
Voortvarendheid
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door pas twee dagen na de afwijzing van het claimverzoek door de autoriteiten van Kroatië een heroverwegingsverzoek te sturen. Ook gelet op de beperkte omvang van het heroverwegingsverzoek ziet eiser niet in dat het indienen daarvan twee dagen heeft moeten duren.
4.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door op de tweede dag na de claimweigering van de Kroatische autoriteiten een heroverwegingsverzoek te sturen. De minister kan worden gevolgd in het ter zitting ingenomen standpunt dat enige tijd is gemoeid met het beoordelen van de claimweigering en met het bepalen van de vervolgstappen die eventueel moeten worden gezet. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat het heroverwegingsverzoek een beperkte omvang heeft, niets zegt over de voorbereidingstijd die daarmee was gemoeid. Een termijn van twee dagen voor het beoordelen van de claimweigering en het voorbereiden en indienen van een heroverwegingsverzoek, acht de rechtbank niet onredelijk lang.
Conclusie
5. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan onrechtmatig moet worden geacht. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.M. Bankers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2162.
ECLI:NL:RBDHA:2024:6290.