Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:12088
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,657 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27103
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Youssouf Mohamed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser stelt zich op het standpunt dat zowel artikel 59a, van de Vw, als artikel 59b, van de Vw op eiser van toepassing is, omdat hij op 18 juni 2025 opnieuw een asielaanvraag heeft ingediend. Volgens eiser moet er dan ook sprake zijn van een risico op onttrekking in de zin van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft dit risico op onttrekking volgens eiser onvoldoende gemotiveerd. Zo wordt het onttrekkingsrisico enkel bij zware grond 3e genoemd, terwijl deze grond eiser niet kan worden tegengeworpen. Eiser heeft namelijk wel de juiste naam opgegeven, maar deze zijn door de verschillende autoriteiten anders gespeld. Daarnaast is eiser niet met onbekende bestemming (MOB) vertrokken en werpt verweerder eiser onterecht tegen dat uit zijn nieuwe asielaanvraag blijkt dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Volgens eiser is er dan ook sprake van een motiveringsgebrek.
3. De rechtbank wijst allereerst op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 28 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2162), waaruit volgt dat bij de samenloop van de bewaringsgrondslagen als vermeld in artikel 59a en artikel 59b van de Vw bepalend is of de Dublinverordening van toepassing is, hetgeen in het geval van eiser zo is. Dit betekent dat artikel 59a, van de Vw op eiser van toepassing is. Uit artikel 59a van de Vw en artikel 28, tweede lid, van de Dublinverordening, volgt dat een significant risico op onttrekking een vereiste is voor de bewaring op grond van artikel 59a, van de Vw. Uit artikel 5.1a, vijfde lid, en artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb volgt dat er sprake is van een significant risico op onttrekking als ten minste twee van de zware en/of lichte gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb zich voordoet.
4. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van een significant risico op onttrekking volgt de rechtbank dit standpunt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3k kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware gronden 3a en 3k zich feitelijk voordoet. Eiser heeft namelijk verklaard zonder paspoort, en dus niet op de voorgeschreven wijze, Nederland te zijn ingereisd. Daarnaast heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de bewaringsmaatregel verklaard niet te willen meewerken aan zijn overdracht aan Spanje. Verweerder heeft de zware gronden 3a en 3k dan ook aan de bewaringsmaatregel ten grondslag kunnen leggen. Dit betekent dat er voldoende gronden zijn die de maatregel van bewaring kunnen dragen. Uit deze gronden vloeit, zoals hierboven is uitgelegd, voort dat er sprake is van een significant risico op onttrekking. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van een risico op onttrekking. Hetgeen eiser over zware grond 3e heeft aangevoerd hoeft daarom niet besproken te worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.