Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:19438
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,754 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.43834
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. El Mathari. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2002] .
Recht op rechtsbijstand
2. Eiser stelt dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden. Hij voert daartoe aan dat zijn gemachtigde de piketmelding op 30 augustus 2025 om 7.02 uur heeft ontvangen. Dit terwijl hij die avond ervoor is gehoord en in vreemdelingenbewaring is gesteld. Weliswaar is namens de minister op die avond om 20.11 uur een piketmelding verzonden, maar het is bekend dat de piketcentrale na 20.00 uur niet meer bereikbaar is. De melding zou die avond dus niet meer doorgezet worden naar de raadsvrouw van eiser. De melding had daarom vóór
20.00
uur gedaan moeten worden. Nu dit niet gebeurd is en de raadsvrouw pas de volgende ochtend in kennis is gesteld van de op handen zijnde inbewaringstelling, heeft eiser zijn raadsvrouw niet tijdig kunnen consulteren. Als gevolg hiervan is eiser onvoldoende voorgelicht over zijn rechten.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van ophouding blijkt dat eiser op 29 augustus 2025 om 19.40 uur is gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat ingeval van een gehoor. Eiser heeft toen aangegeven hier geen gebruik van te willen maken. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat daarna (vanaf 21.19 uur) opnieuw met eiser is gesproken over een advocaat. Aan eiser is gevraagd: “Vind u het goed gehoord te worden zonder de aanwezigheid van een advocaat?” Eiser heeft hierop geantwoord: “Ja, is goed. Ik kan dit zonder advocaat tijdens het gehoor. U kunt verder aanvangen met het gehoor.”
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser voorafgaand aan het gehoor voldoende is voorgelicht over zijn recht op rechtsbijstand. Eiser heeft ermee ingestemd om het gehoor te laten plaatsvinden zonder voorafgaand overleg met zijn raadsvrouw en zonder haar aanwezigheid bij het gehoor. Het dossier en het verhandelde ter zitting geven onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat eiser de gevolgen van die instemming niet goed heeft overzien. Evenmin is aangetoond dat hij in zijn belangen is geschaad als gevolg van het feit dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling geen overleg met of bijstand van zijn raadsvrouw heeft gehad. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag en gronden van de maatregel van bewaring
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht aan Duitsland als bedoeld in de Dublinverordening. Ook bestaat er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte op de grondslag voor Dublinclaimanten (artikel 59a, eerste lid, van de Vw) in bewaring heeft gesteld. Hij heeft immers op 29 augustus 2025 een asielaanvraag ingediend. Volgens eiser had de minister hem daarom op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring moeten stellen.
7. De beroepsgrond faalt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser terecht op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring gesteld. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2162, volgt dat artikel 59a, eerste lid, van de Vw prevaleert wanneer een vreemdeling op meerdere grondslagen in bewaring kan worden gesteld. De minister heeft terecht vastgesteld dat er op 29 augustus 2025 concrete aanknopingspunten waren dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is. Uit Eurodac bleek immers dat eiser eerder al in Duitsland een asielaanvraag had ingediend.
8. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de gronden van de maatregel van bewaring niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden en de motivering daarvan de maatregel van bewaring kunnen dragen.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek onrechtmatig was. Op grond van het dossier en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 september 2025
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.