Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:13613
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,170 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6704
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G. Kranendonk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder
(gemachtigde: mr. M.C. Pieck en R. de Jong).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 31 mei 2024 (het bestreden besluit) op grond van artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw), inhoudende het afsluiten van de [straatnaam 1] over een afstand van 140 meter tussen [straatnaam 2] (kano-oversteekplaats) en [straatnaam 3] voor gemotoriseerd verkeer, uitgezonderd landbouwvoertuigen en brommobielen, door middel van het aanwijzen van dat gedeelte van de [straatnaam 1] als bromfiets-/fietspad.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld gelijktijdig met het beroep in zaaknummers SGR 24/7045 en SGR 24/7066 en het verzoek om een voorlopige voorziening met nummer SGR 25/2507. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
1. Het college wil absolute prioriteit geven aan de fietser en overig langzaam verkeer op de [straatnaam 1] en daarom de [straatnaam 1] in overeenstemming brengen met het type weg (erftoegangsweg type 2 buiten de bebouwde kom). Dit moet als gevolg hebben dat de leefbaarheid en verkeersveiligheid op de [straatnaam 1] verbeteren. Hierom heeft het college besloten dat de [straatnaam 1] over een afstand van 140 meter tussen [straatnaam 2] (kano-oversteekplaats) en [straatnaam 3] afgesloten wordt voor gemotoriseerd verkeer, uitgezonderd landbouwvoertuigen en brommobielen, door middel van het aanwijzen van dat gedeelte van de [straatnaam 1] als bromfiets-/fietspad. Hierdoor ontstaat een knip in de [straatnaam 1] .
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser voert – kort samengevat – aan dat hij veel gebruik maakt van de [straatnaam 1] om familie en vrienden te zien en dat omrijden enorm in de kosten zal lopen. Bovendien heeft de zogenaamde knip als gevolg dat eiser overlast ervaart van het toegenomen autoverkeer op [straatnaam 4] en andere wegen. Het is volgens eiser ongeloofwaardig dat het aantal motorvoertuigen vanaf [straatnaam 4] naar [plaats 1] niet zal toenemen. Eiser stelt bovendien dat aantasting van een natura-2000 gebied een bijzonder, individueel en onderscheidend belang oplevert, want dit heeft effect op de persoonlijke woon- en leefomgeving van eiser.
3. Bovendien heeft het bestreden besluit milieugevolgen voor de [Natura-2000 gebied] , een Natura-2000 gebied en is er voor het bestreden besluit geen vergunning verleend op grond van de Wet natuurbeschermingsvergunning. De aanleg van een apart fietspad is volgens eiser minder gevaarlijk. Bovendien is het besluit onvoldoende gemotiveerd, aangezien er geen onderzoek is gedaan naar alle gevolgen en dan met name niet naar de omliggende wegen en het Natura-2000 gebied, daarmee is het in strijd met artikel 2 van de Wvw en artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Wat oordeelt de rechtbank?
4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser belanghebbende is bij het bestreden besluit.
5. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen. Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing is beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor iedereen. Bij verkeersbesluiten moet dan ook van geval tot geval worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. Een persoon wordt alleen als belanghebbende bij een verkeersbesluit aangemerkt, indien hij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van de andere weggebruikers. Verder volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat als een verkeersbesluit directe gevolgen heeft voor het aantal verkeersbewegingen ter plaatse van de woning/het bedrijf van een bezwaarmaker, deze kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het verkeersbesluit.
6. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser zich geraakt voelt door de gevolgen van het besluit, kan hij juridisch gezien niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het verkeersbesluit. Eiser woont aan [adres] in [woonplaats] op circa 1700 meter afstand van de afsluiting van de [straatnaam 1] . Eiser woont te ver weg om overlast te ervaren van optrekkend en afremmend autoverkeer op de [straatnaam 1] bij [straatnaam 3] (splitsing [straatnaam 1] - [straatnaam 3] ). Ook zullen ter hoogte van zijn woning geen andere verkeersbewegingen ontstaan als gevolg van dit besluit. Dit blijkt ook uit het onderzoek dat het college tijdens de proefafsluiting heeft uitgevoerd. Een van de telpunten lag op het [straatnaam 4] , vlakbij de woning van eiser. Daar is zelfs een vermindering van verkeer waargenomen tijdens de proefafsluiting. Er is niet gebleken op welke wijze een toevoeging van telpunten voor een andere uitkomst zou leiden.
7. Weliswaar betreft de [straatnaam 1] voor eiser een kortere route naar [plaats 2] , [plaats 3] , N11 en A12, maar dit betekent niet dat eiser een bijzonder, individueel en onderscheidend belang heeft. Tevens blijft als gevolg van het bestreden besluit voor eiser niet slechts één ontsluitingsroute over, maar diverse alternatieve ontsluitingsroutes. Dit betekent niet dat eiser aanzienlijk om moet rijden. Als gevolg van het bestreden besluit bedraagt de omrijdtijd afhankelijk van de herkomst en de bestemming namelijk maximaal tien minuten. Ook het vermeende natuurbelang is evenmin een persoonlijk en individueel belang waarmee hij zich voldoende onderscheidt van andere bewoners. Daarbij komt dat eiser geen gegevens heeft overgelegd om deze stellingen te ondersteunen. Hiermee heeft eiser geen bijzonder, individueel en onderscheidend belang bij het bestreden besluit en is daarom niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.
8. Nu eiser geen belanghebbende is, is zijn beroep niet-ontvankelijk.
Conclusie
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2597, 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:506, en van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1541.
Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 14 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU7945, voormelde uitspraak van 25 juli 2012, en 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1489.