Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:13611
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,321 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/7066 en SGR 25/2507
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 22 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. G. Kranendonk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college
(gemachtigde: mr. M.C. Pieck en R. de Jong).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep, en de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende de beoordeling van dat beroep, van eiseres tegen het besluit van 31 mei 2024 (het bestreden besluit) op grond van artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw), inhoudende het afsluiten van de [straatnaam 1] over een afstand van 140 meter tussen [straatnaam 2] (kano-oversteekplaats) en [straatnaam 3] voor gemotoriseerd verkeer, uitgezonderd landbouwvoertuigen en brommobielen, door middel van het aanwijzen van dat gedeelte van de [straatnaam 1] als bromfiets-/fietspad.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld gelijktijdig met het beroep in zaaknummers SGR 24/6704 en SGR 24/7045 en het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening met nummer SGR 25/2507. Hieraan hebben deelgenomen: de partner van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
1. Het college wil absolute prioriteit geven aan de fietser en overig langzaam verkeer op de [straatnaam 1] en daarom de [straatnaam 1] in overeenstemming brengen met het type weg (erftoegangsweg type 2 buiten de bebouwde kom). Dit moet als gevolg hebben dat de leefbaarheid en verkeersveiligheid op de [straatnaam 1] verbeteren. Hierom heeft het college besloten dat de [straatnaam 1] over een afstand van 140 meter tussen [straatnaam 2] (kano-oversteekplaats) en [straatnaam 3] afgesloten wordt voor gemotoriseerd verkeer, uitgezonderd landbouwvoertuigen en brommobielen, door middel van het aanwijzen van dat gedeelte van de [straatnaam 1] als bromfiets-/fietspad. Hierdoor ontstaat een knip in de [straatnaam 1] .
Wat vindt eiseres in beroep?
2. Eiseres voert – kort samengevat – aan dat zij door het bestreden besluit overlast zal ondervinden in haar woon- en leefklimaat, omdat zij niet meer naar het zuiden (richting de A12) over de [straatnaam 1] kan rijden, zij overlast zal ervaren van het toegenomen autoverkeer langs de afslag naar [straatnaam 4] en haar woning verminderd bereikbaar zal zijn. Bovendien is er eigenlijk nog maar één ontsluitingsweg over, waardoor zij voor grote kosten komt te staan. Als gevolg van al het omrijdende verkeer zal zij ook de toegenomen nadelige gevolgen ervaren voor de [natura-2000 gebied] , een natura-2000 gebied, waar haar woning tegenaan ligt. Haar woon- en leefgenot zijn verweven met het belang van de natuurwaarden van het natura-2000 gebied.
3. Het college heeft volgens eiseres ten onrechte geen natuurbeschermingsvergunning verkregen voor de wijziging van het gebruik van de [straatnaam 1] . Er is onvoldoende gekeken naar wat het bestreden besluit betekent voor doorgaand autoverkeer en er zijn fietspad-alternatieven die passender zijn. Bovendien is het besluit onvoldoende gemotiveerd, aangezien er geen onderzoek is gedaan naar alle gevolgen en dan met name niet naar de omliggende wegen en het Natura-2000 gebied, daarmee is het in strijd met artikel 2 van de Wvw en artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Is eiseres belanghebbende?
4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres belanghebbende is bij het bestreden besluit.
5. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen. Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing is beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor iedereen. Bij verkeersbesluiten moet dan ook van geval tot geval worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. Een persoon wordt alleen als belanghebbende bij een verkeersbesluit aangemerkt, indien hij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van de andere weggebruikers. Verder volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat als een verkeersbesluit directe gevolgen heeft voor het aantal verkeersbewegingen ter plaatse van de woning/het bedrijf van een bezwaarmaker, deze kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het verkeersbesluit.
6. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres zich geraakt voelt door de gevolgen van het besluit, kan zij juridisch gezien niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het verkeersbesluit. Eiseres woont aan [adres] in [woonplaats] , op circa 2500 meter afstand van de afsluiting van de [straatnaam 1] (splitsing [straatnaam 1] - [straatnaam 3] ). Tussen [straatnaam 4] en de [straatnaam 1] ligt het [straatnaam 5] . Ter hoogte van de woning van eiseres zullen geen andere verkeersbewegingen ontstaan als gevolg van het bestreden besluit. Een van de telpunten van het door het college uitgevoerde onderzoek lag op het [straatnaam 5] , vlakbij de afslag naar [straatnaam 4] . Daar is zelfs een vermindering van verkeer waargenomen tijdens de proefafsluiting. Er is niet gebleken op welke wijze een toevoeging van telpunten tot een andere uitkomst zou leiden.
7. Weliswaar betreft de [straatnaam 1] voor eiseres een kortere route naar [plaats 1] , [plaats 2] , N11 en A12, maar dit betekent niet dat eiseres een bijzonder, individueel en onderscheidend belang heeft. Tevens blijft als gevolg van het bestreden besluit voor eiseres niet slechts één ontsluitingsroute over, maar diverse alternatieve ontsluitingsroutes. Dit betekent niet dat eiseres aanzienlijk om moet rijden. Als gevolg van het bestreden besluit bedraagt de omrijdtijd afhankelijk van de herkomst en de bestemming namelijk maximaal tien minuten. Ook het vermeende natuurbelang is evenmin een persoonlijk en individueel belang waarmee eiseres zich voldoende onderscheidt van andere bewoners. Daarbij komt dat eiseres geen gegevens heeft overgelegd om deze stellingen te ondersteunen. Hiermee heeft eiseres geen bijzonder, individueel en onderscheidend belang bij het bestreden besluit en is daarom niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.
8. Nu eiseres geen belanghebbende is, is haar beroep niet-ontvankelijk.
Conclusie
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
10. Gelet op het vorenstaande is er voor het treffen van een voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2597, 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:506, en van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1541.
Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 14 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU7945, voormelde uitspraak van 25 juli 2012, en 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1489.