Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:9267
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,176 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.4885
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser,
[eiseres]
, v-nummer: [nummer], eiseres,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: M.J.C. van der Woning).
Inleiding
1. Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 20 maart 2024 verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.
1.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het in die uitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.2.
De staatssecretaris heeft in een reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
1.3.
Eisers hebben hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Beoordeling
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat niet inzichtelijk is hoe de belangen van de kinderen zijn betrokken bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Ter onderbouwing van hun belangen hebben eisers de volgende documenten overgelegd: Braziliaanse voogdijdocumenten, een brief van een intern begeleider van school van eiser, een verslag van een psychologisch onderzoek van eiseres en een ‘Best Interests of the Child’ assessment van het Onderzoeks-en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht (BIC-assessment). Voor de rechtbank is niet inzichtelijk hoe is meegewogen wat uit de door eisers overgelegde documenten en onderzoeken blijkt, zoals dat sprake is van een stabiele gezinssituatie in Nederland, de hechte band tussen eisers en referente en het pleeggezin en de omstandigheid dat eisers in Nederland bepaalde zorg en ondersteuning kunnen krijgen gelet op hun voorgeschiedenis. Dit leidde tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank heeft de staatssecretaris in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen.
2.2.
De staatssecretaris heeft op 15 april 2024 een aanvullende motivering op het bestreden besluit gegeven. De staatssecretaris erkent de belangen die eisers hebben bij verblijf in Nederland en bij referent. De belangen van de kinderen zien voornamelijk op de stabiele situatie en de aanvullende zorg en ondersteuning die in Nederland kan worden geboden. Daarnaast hebben eisers een hechte(re) band met referente en haar gezin gekregen sinds zij in Nederland verblijven. De belangen van de kinderen zijn, afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse Staat, echter niet doorslaggevend. Dit omdat zwaar in het nadeel meeweegt dat de belangen van de kinderen zijn gecreëerd, geïntensiveerd en gecontinueerd gedurende onrechtmatig verblijf. Ook weegt de staatssecretaris in het nadeel mee dat zij niet voldoen aan de voorwaarden voor het pleegkinderenbeleid, dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat er geen stabiele situatie kan worden geboden in Brazilië, het economisch belang van de Nederlandse Staat en dat er geen objectieve belemmering is.
2.3.
Eisers hebben hierop gereageerd in de brief van 21 mei 2024. Daarin voeren zij aan dat de omstandigheid dat referente de keuze heeft gemaakt om de kinderen niet tijdig terug te laten keren naar Brazilië, niet afdoet aan het gegeven dat de kinderen al langere tijd in Nederland verblijven en behoefte hebben aan continuïteit, toekomstperspectief en een hechtingsfiguur. Bovendien is de keuze die referente voor hen heeft gemaakt, niet te wijten aan eisers. Eisers wijzen in dat verband op Werkinstructie 2020/16 ‘Richtlijn voor de toepassing van artikel 8 EVRM’. De staatssecretaris mag niet tegenwerpen dat niet aan de voorwaarden voor het pleegkinderenbeleid is voldaan.
3. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris met de aanvullende motivering het gebrek heeft hersteld. De staatssecretaris heeft kenbaar en gemotiveerd bij de belangenafweging betrokken dat uit de door eisers overgelegde documenten, waaronder het BIC-assessment, blijkt dat eisers in Nederland een stabiele situatie hebben, waarin aanvullende zorg en ondersteuning kan worden geboden, en dat zij een hechte band met referente hebben opgebouwd. De staatssecretaris heeft echter ook zwaar gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het gezinsleven is opgebouwd en geïntensiveerd terwijl eisers geen rechtmatig verblijf hadden. De staatssecretaris heeft er immers belang bij om migratie te reguleren en dat belang mag zwaar meewegen. In dat verband heeft hij er dan ook terecht op gewezen dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor het pleegkinderenbeleid. De staatssecretaris wijst er verder terecht op dat artikel 8 van het EVRM niet zover strekt dat dit een vrije domiciliekeuze impliceert. In dat verband is ook relevant dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat eisers uitsluitend gebonden zijn aan Nederland voor een stabiele situatie en ondersteuning bij hun ontwikkeling. De staatssecretaris wijst er terecht op dat uit overgelegde stukken niet blijkt dat er geen stabiele situatie in Brazilië kan worden geboden. Zoals in de tussenuitspraak overwogen heeft de staatssecretaris het BIC-assessment namelijk onvoldoende kunnen achten voor de conclusie dat eisers niet door andere familieleden kunnen worden verzorgd, omdat dit een onderzoek betreft naar de belangen van de kinderen en niet een onderzoek naar of er familieleden in Brazilië zijn die in staat zijn voor eisers te zorgen.
4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat de staatssecretaris het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
5. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De staatssecretaris moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus). Toegekend wordt € 2187,50. De staatssecretaris moet ook het griffierecht aan eisers vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2187,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C.M. Pijnenburg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie in dit verband de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2056.