Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:23534
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,447 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2419
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Tjon Man Tsoi).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de oplegging van een bestuurlijke boete wegens onvergunde onzelfstandige bewoning.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit op 20 juni 2023 (het primaire besluit) genomen. Met het bestreden besluit van 13 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] (eigenaar van eiseres) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Naar aanleiding van een overlastmelding heeft de inspecteur van de Haagse Pandbrigade (hierna: de inspecteur) de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) op 21 juni 2022 gecontroleerd. De inspecteur heeft toen vastgesteld dat deze woning onzelfstandig werd bewoond door acht personen zonder een daarvoor vereiste omzettingsvergunning en daarmee de wet is overtreden.
2.1.
De inspecteur heeft de bij de controle opgedane bevindingen op 8 september 2022 opgemaakt in een op ambtsbelofte opgemaakt inspectierapport. Hierin staat vermeld dat een op het moment van de controle aanwezige bewoner heeft verklaard dat alle bewoners werkzaam zijn voor eiseres, een uitzendbureau dat zich richt op de (glas)tuinbouw, bouw en logistiek en werknemers zowel op als buiten de werkvloer begeleidt. Ook is door de betreffende bewoner verklaard dat er geen huurcontract is, de bewoners elke week € 106,- per persoon aan huur moeten betalen en de heer [naam] namens eiseres de woning voor hen heeft geregeld. Deze verklaringen hebben de inspecteur aanleiding gegeven om nog tijdens de controle telefonisch contact op te nemen met de heer [naam] . In het inspectierapport staat vermeld dat de heer [naam] aan de inspecteur heeft verklaard dat hij de werkgever is van de bewoners, hij de woning huurt van de eigenaar met wie hij bevriend is en hij zijn personeel in de woning heeft gehuisvest.
2.2.
De inspecteur heeft vervolgens op 23 juni 2024 contact gezocht met de heer [naam] om meer duidelijkheid te verkrijgen over de verhuursituatie. Daarbij is een vordering om inzage gedaan in de zakelijke bescheiden van eiseres. De heer [naam] heeft daarop loonspecificaties van de bewoners gestuurd, evenals een huurovereenkomst tussen de eigenaar van de woning en drie (eerdere) huurders. Op een later moment heeft de eigenaar van de woning nog bankafschriften gestuurd waaruit kan worden opgemaakt dat eiseres een borgsom en een huursom heeft betaald voor de woning.
2.3.
Verweerder heeft eiseres op grond van voornoemde feiten en omstandigheden aangemerkt als onderverhuurder van de woning en daarmee overtreder van de onvergunde onzelfstandige bewoning en een bestuurlijke boete van € 10.000,- opgelegd.
Wat zijn de regels?
3. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met de oplegging van de bestuurlijke boete en betwist dat zij kan worden aangemerkt als onderverhuurder van de woning en daarmee als overtreder van de onvergunde onzelfstandige bewoning. Hoewel zij erkent geregeld werknemers door te verwijzen naar bevriende woningeigenaren, heeft zij niets te maken met afspraken die daarna tussen die partijen worden gemaakt. Dit wordt ondersteund door de ingebrachte huurovereenkomst, waarop de naam van eiseres niet staat genoemd. Eiseres was dan ook niet op de hoogte van de overtreding en kon deze dus ook niet voorkomen. Dat zij kennis had over welke bewoners op welk moment in de woning verbleven doet daar niet aan af, nu dit kan worden verklaard vanuit het feit dat zij de werkgever van de bewoners is.
Verder heeft verweerder ten onrechte een zwaarwegend belang toegekend aan de ten tijde van de controle afgelegde verklaringen. Eiseres wijst er in dat kader op dat de inspecteur voorafgaand aan het ondervragen van de heer [naam] de cautie niet heeft gegeven. Bovendien was hij dermate overvallen door het telefoontje van de inspecteur dat het goed mogelijk is dat hij daardoor onjuiste informatie heeft verstrekt. Verder kan uit de verklaring van de ten tijde van de controle aanwezige bewoner dat de bewoners elke week € 106,- per persoon aan huur moeten betalen, niet worden afgeleid dat dit bedrag ook daadwerkelijk naar eiseres moest worden overgemaakt.
Ook de door eiseres betaalde borgsom en een huursom van twee maanden mocht niet ten grondslag worden gelegd aan het overtrederschap van eiseres. Eiseres wijst erop dat zij deze bedragen eenmalig voor de betreffende bewoners heeft voorgeschoten en dit vervolgens ook weer heeft verrekend met het door hen ontvangen salaris van hun werkgever. Van een (structurele) tegenprestatie is dan ook geen sprake. Bovendien is het niet verboden om namens een ander persoon de huur over te maken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Partijen zijn het erover eens dat de woning op het moment van de controle op 21 juni 2022 onzelfstandig werd bewoond zonder de vereiste omzettingsvergunning en daarom sprake was van een overtreding. De vraag die partijen verdeeld houdt is of eiseres kan worden aangemerkt als overtreder van deze overtreding.
5.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder mocht uitgaan van de juistheid van de in het inspectierapport vastgelegde verklaringen en daaruit mocht afleiden dat eiseres in overwegende mate betrokken is geweest bij het huisvesten van de bewoners in de woning. Daarvoor is van belang dat volgens vaste rechtspraak in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Bovendien volgt uit vaste rechtspraak dat een belanghebbende in beginsel kan worden gehouden aan zijn eerste tegenover een toezichthouder afgelegde verklaring en dat slechts in bijzondere gevallende doorslaggevend belang moet worden toegekend aan een intrekking of wijziging van deze eerdere verklaring tegenover de toezichthouder. De enkele verder niet-onderbouwde stelling van eiseres dat de heer [naam] door het telefoontje van de inspecteur zodanig werd overvallen dat zijn daaropvolgende verklaringen onjuist zijn, vindt de rechtbank net als verweerder onvoldoende om de bewijswaarde hiervan te kunnen aantasten. Dit geldt te meer nu deze verklaring op dit onderdeel wordt ondersteund door de verklaring van de op het moment van de controle aanwezige bewoner van de woning.
Het betoog van eiseres dat de verklaringen van de heer [naam] niet als bewijs kunnen worden gebruikt omdat aan de heer [naam] geen cautie is medegedeeld, wordt door de rechtbank evenmin gevolgd. Verweerder heeft terecht gewezen op het inspectierapport waarin juist staat vermeld dat de inspecteur voorafgaand aan het ondervragen de cautie aan de heer [naam] heeft medegedeeld en de heer [naam] daarop gereageerde dat hij begrijpt dat hij niet verplicht is om te antwoorden op de vragen van de inspecteur.
Verder heeft de Adviescommissie Bezwaarschriften al afdoende toegelicht dat de door eiseres overlegde huurovereenkomst meerdere tegenstrijdigheden bevat en om die reden de tijdens de controle afgelegde verklaringen niet opzij kan zetten.
Verder overweegt de rechtbank dat de door eiseres voor meerdere bewoners vooruitbetaalde borgsom en een huursom voor twee maanden de conclusie ondersteunen dat eiseres in overwegende mate betrokken is geweest bij het huisvesten van de bewoners in de woning.
5.2.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of eiseres vanwege haar overwegende mate van betrokkenheid bij het huisvesten van de bewoners in de woning kan worden aangemerkt als overtreder van de onvergunde onzelfstandige bewoning.
5.3.
In bepaalde gevallen kan degene die een overtreding feitelijk zelf niet heeft begaan als overtreder worden aangemerkt in de zin van artikel 5:2, tweede lid, van de Awb. Om een rechtspersoon op deze manier als functionele overtreder aan te merken, moet de gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kunnen worden toegerekend.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de bestuurlijke boete aan eiseres mocht opleggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2024.
griffier
* de rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Huisvestingswet 2014
Artikel 21
1. Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
(…)
c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden;
(…)
Huisvestingsverordening Den Haag 2023
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
duurzaam gemeenschappelijke
huishouding: een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. Er dient ook sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen;
huishouden: een alleenstaande óf twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding (willen) voeren;
onzelfstandige woonruimte: woonruimte die geen eigen toegang heeft en niet door een huishouden kan worden bewoond zonder wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
zelfstandige woonruimte: zoals omschreven in artikel 234 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 5:1 Woonruimten met een vergunningplicht voor onttrekking, omzetting of woningvorming
1. Artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 is van toepassing op alle zelfstandige woonruimten behorend tot een gebouw gelegen in alle wijken van Den Haag.
(…)
Artikel 5:2 Vergunningplicht onttrekking, omzetting of woningvorming
De in artikel 5:1 genoemde woonruimten mogen niet zonder vergunning:
(…)
b. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte voor drie of meer personen worden omgezet; (…)
Op grond van artikel 21, eerste lid en onder c van de Huisvestingswet in samenhang met artikel 5:2, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (Huisvestingsverordening).
Op grond van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 7:2 van de Huisvestingsverordening, in samenhang gelezen met Bijlage II van de Huisvestingsverordening.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1543.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1401.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067.
Beoordeling
Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging.
Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking of anderszins werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon, c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, d) de rechtspersoon kon erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en heeft dergelijk of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken aanvaard. Onder aanvaarden wordt mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
Niet is vereist dat zich alle of meerdere van de onder a tot en met d vermelde omstandigheden voordoen.
5.4.
Blijkens het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) is de heer [naam] de enige bestuurder van eiseres en daarmee zelfstandig bevoegd om eiseres naar buiten toe te vertegenwoordigen. Handelingen die de heer [naam] namens eiseres verricht, kunnen dan ook aan eiseres worden toegerekend.
Eiseres betreft een uitzendbureau dat zich richt op de (glas)tuinbouw, bouw en logistiek en werknemers zowel op als buiten de werkvloer begeleidt. In de zienswijze van 15 mei 2023 op het concept-besluit is door de heer [naam] aangegeven dat de begeleiding van werknemers ook inhoudt dat soms wordt geholpen met hun huisvesting. Daarmee kan het huisvesten en onderverhuren van de woning worden aangemerkt als een gedraging die past in de normale bedrijfsuitvoering van eiseres. De betreffende gedraging is eiseres ook dienstig geweest omdat het kunnen huisvesten van werknemers verschillende voordelen biedt. Dit vergroot namelijk de aantrekkingskracht van het uitzendbureau voor potentiële werknemers, zeker gelet op het huidige tekort aan woonruimte. Bovendien kunnen deze werknemers door de huisvesting flexibeler door het uitzendbureau worden ingezet. Hoewel de rechtbank het met eiseres eens is dat uit het inspectierapport en de naderhand overlegde bankafschriften niet kan worden afgeleid dat de werknemers de huur voor de woning direct aan eiseres betaalden, doet dit aan het voorgaande niet af.
Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat eiseres niet alleen op de hoogte was van de huisvesting van haar werknemers maar hier ook actief bij betrokken was. Daarmee kan worden gesteld dat eiseres erover kon beschikken of de onvergunde onzelfstandige bewoning van de woning kon plaatsvinden. Door geen maatregelen te treffen heeft eiseres niet de zorg betracht om deze overtreding te voorkomen. Daarmee heeft eiseres ook aanvaard dat de gedraging zou plaatsvinden.
Dat uit de beschikbare gegevens niet direct kan worden afgeleid dat eiseres als onderverhuurder van de woning kwalificeert, laat onverlet dat dit gelet op het onder de voorgaande rechtsoverweging geschetste toetsingskader ook niet is vereist om als overtreder te kunnen worden aangemerkt.
6. Het voorgaande maakt dat eiseres kan worden aangemerkt als overtreder van de onvergunde onzelfstandige bewoning van de woning. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding en dat verweerder om die reden had moeten afzien van boeteoplegging. Verder is evenmin gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die de hoogte van de bestuurlijke boete onevenredig zou maken. De rechtbank is dan ook oordeel dat verweerder de bestuurlijke boete van € 10.000,- aan eiseres mocht opleggen.