Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:23497
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,957 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/1210, SGR 23/2065 en SGR 23/2066
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2024 in de zaken tussen
[eiser 1] uit [woonplaats] (Duitsland) en
[eiser 2] B.V., uit [vestigingsplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M.M.J.F. Sijben),
en
de korpschef van de politie van de Eenheid Limburg en de korpschef van de politie van de Eenheid Zeeland West-Brabant, verweerders
(gemachtigde: mr. I.M. Haagmans)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de intrekking van de aan beveiligingsorganisatie [eiser 2] B.V. (hierna: eiser 2) verleende toestemming om [eiser 1] (hierna: eiser 1) beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten.
1.1.
De korpschef van de politie van de Eenheid Limburg (hierna: verweerder 1) heeft dit besluit (het primaire besluit I) op 9 juni 2022 genomen. Met het bestreden besluit van 1 november 2022 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eisers is verweerder 1 bij dat besluit gebleven. Naar aanleiding van het primaire besluit I van verweerder 1 heeft de korpschef van de politie van de Eenheid Zeeland West-Brabant (hierna: verweerder 2) op 18 augustus 2022 eveneens besloten tot intrekking van de aan eiser 2 verleende toestemming om eiser 1 beveiligingswerkzaamheden te verrichten (het primaire besluit II). Met het bestreden besluit van 20 december 2022 (het bestreden besluit II) op het bezwaar van eiser 1 is verweerder 2 bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit I en hebben hiertegen beroep ingesteld. Eiser 1 kan zich niet verenigen met bestreden besluit II en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerders hebben op deze beroepen gereageerd met een gezamenlijk verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerders.
1.4.
De rechtbank stelt vast dat beide bestreden besluiten zien op hetzelfde feitencomplex en dat de door de gemachtigde van eisers hiertegen ingediende beroepen nagenoeg identiek zijn aan elkaar. Bovendien heeft de gemachtigde van verweerders op de zitting verklaard zowel verweerder 1 als verweerder 2 te vertegenwoordigen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om deze beroepen (SGR 23/1210, SGR 23/20165 en SGR 23/2066) ambtshalve aan te merken als samenhangende zaken en deze gevoegd te behandelen. Dit betekent dat de rechtbank over deze gevoegde zaken één uitspraak zal doen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerders hebben aan eiser 2 toestemming verleend om eiser 1 beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. Verweerders hebben die toestemming ingetrokken omdat eiser 1 onvoldoende betrouwbaar voor de functie als beveiliger wordt geacht. Verweerders hebben hieraan ten grondslag gelegd dat uit verschillende politiegegevens blijkt dat eiser 1 ervan verdacht wordt zich in de nacht van 13 maart 2022 ter hoogte van de uitgaansgelegenheid [naam 1] in [plaats] schuldig te hebben gemaakt aan mishandeling van een bezoeker. Het belang van een goede en betrouwbare veiligheidsbranche, dat met de weigering wordt gediend, weegt volgens verweerders zwaarder dan het persoonlijke belang van eisers bij het door eiser 1 kunnen blijven uitoefenen van zijn werk als beveiliger.
Wat zijn de regels?
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eisers stellen allereerst dat zij geen zienswijzen tegen het voornemen tot intrekking van de toestemming hebben kunnen indienen en dat zij evenmin voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit 1 zijn gehoord. Dat maakt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder ontkennen eisers dat eiser 1 zich op de bewuste avond schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Eiser 1 was de hele avond in restaurant [naam 2] , waar hij met de eigenaren en een paar vrienden heeft gegeten en gedronken. Eiser 1 was die avond dan ook niet aan het werk als beveiliger bij de uitgaansgelegenheid [naam 1] en kan om die reden niet de persoon zijn waarvan op camerabeelden zichtbaar is dat deze klappen uitdeelt aan een bezoeker. Eisers hebben ter ondersteuning hiervan in beroep verschillende getuigenverklaringen overlegd, evenals twee processen-verbaal van verhoren bij de rechter-commissaris. Verder komt het relaas van de bezoeker zoals is opgetekend in de aangifte niet overeen met wat is te zien op de camerabeelden. Zo heeft de bezoeker in de aangifte alleen iets verklaard over een mishandeling die zou hebben plaatsgevonden in de uitgaansgelegenheid zelf, terwijl de camerabeelden betrekking hebben op een mishandeling daarbuiten. Bovendien wordt in de aangifte over de vermeende dader gesteld dat deze 40 jaar oud is en een bril draagt. Eiser 1 draagt geen bril en voldoet dus niet aan dit signalement. Verder hebben verweerders niet kunnen onderbouwen waarom in dit geval niet met een minder vergaande maatregel, zoals het geven van een waarschuwing, had kunnen worden volstaan. Eisers stellen in dat kader aan de orde dat eiser 1 16 jaar werkzaam is geweest als beveiliger en hij deze werkzaamheden altijd tot volle tevredenheid van zijn opdrachtgever heeft verricht. Hij heeft hierbij vaak zijn eigen leven op het spel gezet om de politie te beschermen. Bovendien heeft hij een koninklijke onderscheiding ontvangen omdat hij mensen uit een brandende auto heeft gered. Verweerders hebben zich bij het nemen van beide bestreden besluiten onvoldoende rekenschap gegeven van deze omstandigheden en daarmee in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Nog daargelaten dat het de eigen verantwoordelijkheid van eiser 1 betreft om in het geval van een verhuizing zijn nieuwe adresgegevens door te geven aan verweerders en het dus voor rekening en risico van eisers moet komen dat zij geen zienswijzen hebben kunnen indienen tegen het voornemen tot intrekking van de toestemming, heeft eiser 1 niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Uit de stukken blijkt immers dat in de bezwaarprocedure een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Daarmee kan worden aangenomen dat eiser 1 alsnog voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen. Dit geldt ook voor de stelling van eisers dat zij voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit I niet zijn gehoord. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder 1 op deze punten in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.
6. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter dat verweerders beoordelingsruimte hebben bij de beoordeling of iemand voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche mogen, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat verweerders als beoordelingsmaatstaf mogen hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers boven iedere twijfel verheven moet zijn.
7. In paragraaf 3.3 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus is opgenomen dat ook opgemaakte processen-verbaal ertoe kunnen leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.
8. Verweerders hebben meerdere processen-verbaal ten grondslag gelegd aan de stelling dat eiser 1 terecht is aangemerkt als verdachte van een mishandeling in de nacht van 13 maart 2022 ter hoogte van de club [naam 1] in [vestigingsplaats] . Zo ligt er een aangifte van de betreffende bezoeker van 17 maart 2022, waarin hij heeft gesteld dat hij meerdere keren opzettelijk en met kracht door een onbekende man is geslagen. Verder blijkt uit een op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2022 dat er op deze locatie sprake is van cameratoezicht van de gemeente [vestigingsplaats] en dat een verbalisant naar aanleiding van de aangifte heeft gezocht naar de bijbehorende camerabeelden. Op de aangetroffen camerabeelden is volgens het proces-verbaal van bevindingen te zien hoe een bezoeker door drie beveiligers uit de uitgaansgelegenheid wordt verwijderd. Vervolgens is volgens de verbalisant te zien dat één van de beveiligers, een kale gezette man, deze bezoeker met kracht in zijn gezicht slaat en daarna ook nog twee tot drie klappen uitdeelt. De bezoeker wordt daarna door twee andere beveiligers richting de straat geduwd, waarna de eerdergenoemde kale beveiliger naar de bezoeker toeloopt en hem nogmaals in zijn gezicht slaat. De bezoeker verloor door deze laatste klap zijn evenwicht en viel achterover op de grond. In een mutatierapport dat is afgerond op 1 april 2022 staat dat naar aanleiding van de camerabeelden de zogenaamde openbare orde groep op 17 maart 2022 is verzocht om de identiteit van de beveiliger die in het proces-verbaal van bevindingen is aangeduid als ‘kale gezette man’ vast te stellen en de beveiligerspas te controleren. Op 26 maart 2022 hebben twee verbalisanten in dit mutatierapport geregistreerd dat zij van medewerkers van cameratoezicht te horen hebben gekregen dat de betreffende beveiliger op dat moment aan de deur stond bij club [naam 1] in [vestigingsplaats] . Zij hebben de betreffende persoon vervolgens gecontroleerd aan de hand van de beveiligerspas in combinatie met zijn legitimatiebewijs. waarbij is vastgesteld dat het om eiser 1 ging. Daarnaast staat in een op 13 juli 2022 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen dat een verbalisant eiser 1 op 2 juli 2022 tijdens een openbare ordedienst heeft herkend als zijnde de verdachte van de mishandeling. Verder staat in een op 8 augustus 2022 op ambtseed opgemaakt procesverbaal van bevindingen dat weer een andere verbalisant, die vanuit zijn werk als coördinator openbare orde regelmatig met eiser 1 te maken had, eiser 1 op de beschikbare camerabeelden herkende als degene die de mishandeling heeft gepleegd. Tot slot blijkt uit een uittreksel Justitiële Documentatie dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om eiser 1 te vervolgen voor de mishandeling en hem hiervoor op 31 januari 2023 heeft gedagvaard.
9.
Conclusie
13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat verweerders de toestemming om eiser 1 bij eiser 2 beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten in redelijkheid hebben kunnen intrekken. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2024.
De griffier is verhinderd te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Artikel 2
1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister door de instandhouding van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau beveiligingswerkzaamheden of recherchewerkzaamheden te verrichten of aan te bieden.
(…)
Artikel 7
1. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend stelt geen personen te werk die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van Onze Minister.
2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is bevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.
(…)
4. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Indien de desbetreffende persoon een ambtenaar is als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de toestemming slechts onthouden indien deze persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid. Voor de tewerkstelling van de overige opsporingsambtenaren wordt de toestemming slechts verleend na het overleggen van de ontheffing, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en indien de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde bekwaamheid.
5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.
(…)
Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
(…)
3.3.
Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden
De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk te stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
(…)
Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)
De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
Sepots, processen-verbaal en mutaties
Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.
(…)
Op grond van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:730.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1543.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat verweerders uit deze beschikbare politiegegevens hebben mogen afleiden dat er een serieuze verdenking bestaat dat eiser 1 zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Daarbij is van belang dat volgens vaste rechtspraak in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Eisers hebben hiertoe geen aanknopingspunten aangedragen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
10.1.
Eisers hebben in beroep meerdere getuigenverklaringen ingebracht ter onderbouwing van het door hun ingenomen standpunt dat eiser 1 op de bewuste nacht niet ter plekke was en daarom de mishandeling niet kan hebben gepleegd. Deze zijn opgesteld door twee vrienden met wie eiser 1 die bewuste avond bij [naam 2] zou hebben gegeten, de twee eigenaren van dit restaurant en een voormalig collega. Verweerders hebben de getuigenverklaring die is opgesteld door de voormalig collega onvoldoende mogen achten voor de conclusie dat eiser 1 ten onrechte is aangemerkt als verdachte van de mishandeling. In deze verklaring stelt de voormalige collega immers ook dat hij zich niet meer kan herinneren of eiser 1 die avond bij de uitgaansgelegenheid aanwezig is geweest. Ten aanzien van de overige getuigenverklaringen hebben verweerders terecht opgemerkt dat hierin pas voor het eerst wordt vermeld dat eiser 1 die avond ook met vrienden zou hebben gegeten en gedronken en dat sprake is van meerdere eigenaren. Uit het proces-verbaal van het verhoor van eiser 1 van 14 juli 2022 blijkt immers dat hij destijds nog heeft gesteld dat hij alleen met de eigenaar van [naam 2] wat heeft gegeten en gedronken. Verweerders hebben terecht aangegeven dat dit niet de eerste keer is dat eiser 1 zijn verklaring op dit onderdeel heeft gewijzigd, nu hij op 2 juli 2022 nog heeft verklaard dat hij die bewuste dag helemaal niet in [vestigingsplaats] is geweest. Gelet op deze steeds wisselende verklaringen hebben verweerders deze getuigenverklaringen dan ook als ongeloofwaardig mogen bestempelen. Verder hebben verweerders bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen mogen meewegen dat deze niet gedateerd zijn en dat in sommigen een verkeerde datum is genoemd van de dag waarop de mishandeling heeft plaatsgevonden. Ook in de door eisers in beroep ingebrachte processen-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris hebben verweerders geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan de juistheid van de op ambtseed opgemaakte-processen verbaal. Hierin staat slechts opgetekend dat de voormalig opdrachtgever en een voormalig collega van eiser 1 de man op de camerabeelden die zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling niet herkennen en het gelet op de kleding die hij draagt ook geen beveiliger kan zijn. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat het feit dat de persoon op de camerabeelden blijkens zijn kleding die avond niet werkzaam was als beveiliger niet hoeft uit te sluiten dat dit eiser 1 betreft. De voormalig opdrachtgever van eiser 1 heeft tijdens het verhoor met de rechter-commissaris immers zelf aangegeven dat eiser 1 zijn collega’s wel eens opzocht als hij zelf niet aan het werk was. De rechtbank overweegt verder dat door de voormalig opdrachtgever en voormalig collega van eiser 1 tijdens de verhoren niet expliciet is gesteld dat de persoon op de camerabeelden eiser 1 niet is. Die specifieke koppeling naar eiser 1 wordt door drie verschillende verbalisanten in de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal wel gemaakt. Verweerders hebben hieraan dan ook een groter gewicht mogen toekennen.
10.2.
Verder kan aan de stelling van eisers dat de camerabeelden niet overeenkomen met wat door de bezoeker in de aangifte is gesteld, niet de betekenis worden toegekend die zij eraan toegekend wensen te zien. Dit laat immers onverlet dat op de camerabeelden is te zien dat een persoon, door verbalisanten geïdentificeerd als eiser 1, in de nacht van 13 maart 2022 een bezoeker van club [naam 1] meerdere vuistslagen in zijn gezicht en tegen het hoofd geeft en vervolgens nog een zodanige vuistslag dat de man achterover op de grond valt. Hoewel de aangifte hoofdzakelijk ziet op wat de aangever die avond in de uitgaansgelegenheid zelf heeft meegemaakt, blijkt uit een nader verhoor van de aangever van 28 november 2022 dat hij ook de persoon is waarvan op de camerabeelden zichtbaar is dat hij op 13 maart 2022 wordt mishandeld. Verder blijkt uit het proces-verbaal van aangifte dat het signalement van een 40-jarige man met een bril die de bezoeker geeft, betrekking heeft op de beveiliger die hem in de uitgaansgelegenheid zelf heeft aangesproken. Hieruit kan dan ook niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat eiser 1 niet de persoon kan zijn geweest waarvan op de camerabeelden zichtbaar is dat deze zich schuldig maakt aan mishandeling.
11. Verweerders hebben terecht gesteld dat de gedragingen waar eiser 1 van verdacht wordt zich naar hun aard niet verdragen met het ambt van een beveiliger. Van een beveiliger wordt immers verwacht dat hij personen en goederen beschermt. Verweerders hebben zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de betrouwbaarheid en integriteit van eiser 1 niet boven iedere twijfel verheven is en daarmee op goede gronden de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden kunnen intrekken.
12. Verweerders hebben afdoende toegelicht dat een minder vergaande maatregel dan intrekking van de toestemming, zoals het geven van een waarschuwing, onvoldoende wordt geacht om het belang van een betrouwbare veiligheidszorg te waarborgen. De enkele stelling dat eiser 1 16 jaar naar volle tevredenheid van zijn opdrachtgever zijn werkzaamheden heeft verricht en hij een koninklijke onderscheiding heeft gekregen voor het redden van een persoon uit een brandende auto, neemt niet weg dat eiser als verdachte van mishandeling is aangemerkt. Overigens hebben verweerders in het bestreden besluit nog gesteld dat het besluit tot intrekking van de toestemming niet betekent dat deze toestemming in de toekomst nooit meer kan worden verleend. De in de Beleidsregels genoemde termijn van acht jaar betreft een maximale termijn, zodat bij een nieuwe aanvraag die wordt ingediend na voldoende verloop van tijd een nieuwe afweging kan worden gemaakt. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Verder hebben verweerders meegewogen dat eiser 1 momenteel arbeidsongeschikt is, hiervoor een uitkering ontvangt en daardoor niet zonder inkomen zit. Verweerders hebben zich gelet op het voorgaande voldoende rekenschap gegeven van de gevolgen die de besluiten tot intrekking van de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten voor eisers hebben en zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat deze niet onevenredig zijn aan de met deze besluiten te dienen doelen.