Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:23499
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,669 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1082
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.J. Sterk),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. W. Walet).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om hem te ontslaan wegens wangedrag.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 14 maart 2023 genomen. Met het bestreden besluit van 8 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en namens verweerder zijn gemachtigde en mr. F.F. Aarts.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser was per 29 augustus 2005 aangesteld als militair ambtenaar bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht en ingedeeld bij het Commando Luchtstrijdkrachten. Sinds 20 januari 2020 was hij werkzaam als hulp Distributie op Vliegbasis Volkel. Uit informatie afkomstig van de Koninklijke Marechaussee (KMar) heeft verweerder afgeleid dat eiser zich op 24 september 2021 in de omgeving van Vliegbasis Volkel schuldig heeft gemaakt aan intimiderend dan wel dreigend gedrag richting een collega, het aanrijden van een dienstauto en het verlaten van een plaats van ongeval. Verweerder heeft deze gedragingen gekwalificeerd als wangedrag en eiser bij besluit van 19 december 2022 geschorst. Uiteindelijk heeft verweerder op 14 maart 2023 besloten om eiser per 1 juli 2023 te ontslaan wegens wangedrag.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser kan zich niet verenigen met het ontslagbesluit. Hij stelt dat de gedragingen die hem worden verweten onvoldoende zorgvuldig zijn vastgesteld. Zo heeft verweerder zich hoofdzakelijk gebaseerd op de verklaringen die afkomstig zijn van de twee personen waarmee eiser in conflict was. Het valt niet uit te sluiten dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, hetgeen vragen oproept over de betrouwbaarheid hiervan. Dat ook door een andere getuige is waargenomen dat eiser een van deze twee personen bij de keel heeft gegrepen moet volgens eiser worden gezien als een verkeerde interpretatie. Deze getuige stond op dat moment op 200 meter afstand van het incident en had hier dan ook geen goed zicht op. Bovendien komt hetgeen door de getuigen is verklaard niet overeen met de volgordelijkheid van de verschillende gebeurtenissen. Daarbij heeft verweerder in het primaire besluit met betrekking tot het ontslag wegens wangedrag gesproken van een ‘straf’. Eiser wijst erop dat dit in strijd is met het una via-beginsel, nu hij al een door het Openbaar Ministerie (OM) uitgevaardigde strafbeschikking heeft geaccepteerd. Verder had verweerder geen gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser deze strafbeschikking heeft geaccepteerd. Eiser stelt dit op advies van zijn vorige advocaat te hebben gedaan met als reden dat hij er dan vanaf zou zijn en dat hij niet wist dat dit kan worden gezien als een schuldbekentenis. Dit staat ook niet duidelijk aangegeven op de strafbeschikking zelf of op het daarop vermelde webadres. Dit maakt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts stelt eiser dat hij 18 jaar lang tot volle tevredenheid heeft gefunctioneerd en verweerder niet duidelijk heeft gemaakt dat in dit geval niet met een minder vergaande maatregel dan ontslag kon worden volstaan. Verweerder had in dat verband moeten meewegen dat de collega waarmee eiser in conflict was ook schuld draagt maar desondanks geen maatregelen opgelegd heeft gekregen. Verder zijn de aan eiser verweten gedragingen niet van dezelfde ernstige aard als het bezit van kinderporno, drugsgebruik of verboden wapenbezit. Bovendien heeft verweerder eiser na het incident nog een jaar laten werken alvorens is overgegaan tot strafontslag. Verweerder heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van deze omstandigheden en daarmee gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de hoogste bestuursrechter ten aanzien van disciplinaire straffen als toetsingsmaatstaf hanteert dat de bestuursrechter in ambtenarenzaken, die een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf moet beoordelen, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten toetsen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. Ook moet het plichtsverzuim de ambtenaar zijn toe te rekenen en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het voorgaande geldt niet alleen voor plichtsverzuim maar ook voor wangedrag. Een ontslag op grond van wangedrag met alle gevolgen van dien is een zodanig zware maatregel dat daartoe slechts kan worden overgegaan, als de feiten, die aan het ontslag ten grondslag worden gelegd, niet voor gerede twijfel vatbaar zijn. Bij de vraag of het wangedrag is aan te merken als toerekenbaar wangedrag is volgens vaste rechtspraak van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het wangedrag hem niet kan worden toegerekend.
Is er sprake van wangedrag?
5. Uit de beschikbare politiegegevens in het dossier komt het volgende beeld naar voren. Eiser had op 24 september 2021 om 16:30 uur aanvankelijk een afspraak ingepland staan om nieuwe kleding te laten inmeten door twee medewerkers van het Kleding- en Persoonsgebonden Uitrustingsbedrijf (KPU). Deze afspraak is uiteindelijk in overleg met eiser verplaatst omdat de KPU-trailer die dag om 16:15 uur moest worden opgehaald voor onderhoud. Eiser is desondanks op de afspraak verschenen. Uit zijn eigen verklaring, de verklaringen van de twee KPU-medewerkers en de verklaring van een andere aanwezige collega blijkt dat eiser bij binnenkomst gestrest en geïrriteerd was. Volgens de twee KPU-medewerkers stond hij erop dat zijn nieuwe kleding alsnog zou worden ingemeten en gaf hij tevens aan dat een andere klant ook moest worden geholpen. Uiteindelijk hebben de twee KPU-medewerkers de nieuwe kleding bij eiser ingemeten. Eiser heeft vervolgens de trailer verlaten en is toen buiten bij zijn auto nog een sigaretje gaan roken met de collega die daar toen ook aanwezig was. Toen de KPU-medewerkers rond 16:30 uur klaar waren en naar huis wilden gaan, zagen ze dat de auto van eiser zodanig stond gepositioneerd dat zij niet weg konden rijden. Nadat één van de KPU-medewerkers (KPU-medewerker 1) naar eiser claxonneerde, is hij in zijn auto gestapt en uitgeweken. Uit zowel de verklaringen van de twee KPU-medewerkers als de verklaring van de op die dag dienstdoende bewaker van de hoofdpoort blijkt dat eiser vervolgens op de weg van het parkeerterrein naar de toegangspoort KPU-medewerker 1 op korte afstand op hoge snelheid heeft achtervolgd. Dit is eveneens door een verbalisant opgetekend in een proces-verbaal van bevindingen na het bekijken van de beschikbare camerabeelden. Volgens de verklaringen van beide KPU-medewerkers en van de bewaker van de hoofdpoort maakte eiser daarbij zwaaiende gebaren en knipperde hij met de koplampen van zijn auto. Na het voorbijgaan van de slagboom heeft eiser de KPU-medewerker 1 ingehaald en zijn auto zodanig geparkeerd dat de doorgang werd geblokkeerd. Bij het uitvoeren van deze manoeuvre raakte hij de auto van de KPU-medewerker 1 aan de bestuurderskant. Dit is verklaard door eiser zelf, de twee KPU-medewerkers en blijkt eveneens uit de beschikbare camerabeelden. Beide mannen zijn toen uitgestapt en kregen een woordenwisseling, waarbij wat geduw over en weer ontstond. Ook dit is zichtbaar op de camerabeelden en wordt door eiser zelf erkend. Uit zowel de verklaring van KPU-medewerker 1 als de verklaring van de bewaker van de hoofdpoort blijkt dat eiser KPU-medewerker 1 vervolgens bij de keel heeft gepakt. De andere KPU-medewerker (KPU-medewerker 2), die de twee auto’s op een afstand heeft gevolgd, heeft in haar verklaring gesteld dit ook te hebben waargenomen. Zij is op dat moment tussenbeide gekomen om verdere escalatie te voorkomen, waarna eiser in zijn auto is gestapt en is weggereden. Ook dit is volgens het proces-verbaal van bevindingen zichtbaar op de camerabeelden en wordt zowel verklaard door beide KPU-medewerkers als door eiser zelf.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot ontslag wegens wangedrag. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Algemeen militair ambtenarenreglement
(…)
Artikel 39
(…)
2. Aan de militair kan verder uitsluitend ontslag worden verleend:
(…)
l. wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.
(…)
Op grond van artikel 39, tweede lid en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997.
Zie de uitspraak van de Raad van 29 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6967.
Zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:921.
Zie de uitspraak van de Raad van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:389.
Zie de uitspraak van de Raad van 3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3053.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1543.
Beoordeling
Het OM heeft eiser op 27 december 2021 een strafbeschikking uitgevaardigd van € 350,-, waarin als strafbaar feit is genoemd het als militair feitelijk bedreigen met geweld en of feitelijke aanranding gepleegd tegen een persoon werkzaam ten behoeve van de krijgsmacht. Eiser is tegen de oplegging van deze strafbeschikking in verzet gegaan, waardoor de zaak op 29 september 2022 door een militaire politierechter te Arnhem zou worden behandeld. Deze zitting heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden omdat eiser voor deze datum de strafbeschikking alsnog heeft geaccepteerd.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit het voorgaande mogen afleiden dat buiten gerede twijfel is komen vast te staan dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan intimiderend dan wel dreigend gedrag richting een collega, het aanrijden van een dienstauto en het verlaten van een plaats van ongeval. Daarbij is van belang dat volgens vaste rechtspraak in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. In hetgeen eiser heeft aangedragen ziet de rechtbank echter geen aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van de processen-verbaal. Ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder zich hoofdzakelijk heeft gebaseerd op verklaringen die afkomstig zijn van de twee personen waarmee eiser in conflict was en daarmee twijfels rijzen over de betrouwbaarheid hiervan, overweegt de rechtbank het volgende. Nog daargelaten dat uit voorgaande rechtsoverweging duidelijk blijkt dat verweerder naast de verklaringen van beide KPU-medewerkers ook verklaringen van een andere collega van eiser en van de bewaker van de hoofdpoort, beschikbare camerabeelden en een strafbeschikking van het OM aan de verweten gedragingen ten grondslag heeft gelegd, heeft verweerder er terecht op gewezen dat beide KPU-medewerkers steeds consistent hebben verklaard en eiser geen concrete aanwijzingen naar voren heeft gebracht voor zijn betoog dat deze verklaringen desondanks zouden onbetrouwbaar zijn. Het betoog van eiser dat de bewaker van de hoofdpoort op 200 meter afstand stond en daarom niet kan hebben gezien dat eiser KPU-medewerker 1 bij zijn keel greep, leidt niet tot een ander oordeel. Ook hier zijn er immers meerdere getuigen, in dit geval beide KPU-medewerkers, die deze verklaring ondersteunen. Dat de getuigenverklaringen niet stroken met de volgordelijkheid van de gebeurtenissen – wat daar verder ook van zij – laat onverlet dat op basis hiervan en de beschikbare camerabeelden voldoende is komen vast te staan dat eiser zich aan de betreffende gedragingen schuldig heeft gemaakt. De opgelegde strafbeschikking komt daar nog bij maar vormt geen beslissend element in de bewijsvoering van verweerder. De omstandigheid dat eiser deze heeft geaccepteerd terwijl hij zich niet bewust was van de juridische gevolgen hiervan – wat hier ook verder van zij – is daarom van ondergeschikt belang. Overigens heeft verweerder terecht gesteld dat het strafontslag een bestuursrechtelijke maatregel betreft en los staat van de door het OM uitgevaardigde strafbeschikking. Van strijd met het una via-beginsel is dan ook geen sprake.
7. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat militairen een bijzondere positie vervullen en moeten voldoen aan zeer hoge eisen wat betreft verantwoordelijkheid, professioneel gedrag en het geven van het goede voorbeeld. Daarbij staat in de Gedragsregels duidelijk dat agressie en intimidatie moeten worden voorkomen en geweld alleen op legitieme wijze mag worden ingezet. Eiser heeft deze uitgangspunten met zijn gedragingen terzijde geschoven en daarmee het vertrouwen in hem ernstig beschaamd. Gelet hierop heeft verweerder deze gedragingen van eiser terecht aangemerkt als wangedrag.
Toerekenbaarheid
8. Door eiser zijn geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat hij de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag niet heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Net als verweerder gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat de gedragingen toerekenbaar zijn aan eiser.
Evenredigheid
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de aard en de ernst van het verweten gedrag, het ontslag niet onevenredig hoeven achten ten opzichte van de voor eiser nadelige gevolgen daarvan. Verweerder heeft groot gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat eiser met zijn handelswijze het vertrouwen dat verweerder in hem als integere en betrouwbare militair moet kunnen stellen in ernstige mate heeft geschaad. Verweerder mocht in dat kader meewegen dat de door eiser afgelegde verklaringen getuigen van weinig inzicht in zijn eigen gedragingen en hij daarmee onvoldoende lijkt te begrijpen wat er van hem als militair wordt verwacht. De rechtbank haalt bij wijze van voorbeeld de stelling van eiser ter zitting aan dat de KPU-medewerker 1 eveneens schuld draagt, terwijl op basis van de beschikbare gegevens juist blijkt dat eiser met zijn gedrag de aanzet heeft gegeven voor de escalatie van het conflict. Eiser is immers degene geweest die volgens de beschikbare gegevens de botsing tussen beide auto’s heeft veroorzaakt, vervolgens KPU-medewerker 1 bij de keel heeft gegrepen en uiteindelijk de plaats van het ongeval heeft verlaten. Verweerder heeft terecht gesteld dat deze gedragingen niet passen bij een militair, waarvan juist wordt verwacht dat deze de-escalerend optreedt. Verweerder heeft afdoende toegelicht dat gelet daarop met een minder vergaande maatregel als het opstellen van een ambtsbericht niet had kunnen worden volstaan. De omstandigheid dat eiser na het incident nog een jaar lang heeft gewerkt alvorens hij werd voorgedragen voor ontslag, hoefde door verweerder niet te worden meegewogen in het kader van het evenredigheidsbeginsel. Gebleken is immers dat eiser het incident niet uit eigen beweging heeft gemeld bij zijn commandant en deze er zodoende pas van op de hoogte is geraakt na het accepteren van de strafbeschikking door eiser op 29 september 2022. De rechtbank overweegt dat eiser door deze handelswijze zelf het risico heeft genomen dat hij na verloop van tijd alsnog met rechtspositionele maatregelen zou worden geconfronteerd. De stelling van eiser ter zitting dat hij het incident dezelfde dag nog heeft gemeld bij de wijkagent van de KMar, heeft hij niet met nadere stukken kunnen onderbouwen. Dat eiser 18 jaar tot volle tevredenheid heeft gefunctioneerd en de aan hem verweten gedragingen niet van dezelfde ernstige aard zijn als het bezit van kinderporno, drugsgebruik of verboden wapenbezit, heeft verweerder evenmin zwaarder hoeven laten wegen dan het organisatiebelang van Defensie.