Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:21961
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,127 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.47373 en NL24.47374
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser/verzoeker]
, V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 november 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en op [geboortedag] 1999 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat hij in de Nederlandse procedure opgenomen moet worden aangezien hij in Kroatië geen asiel heeft aangevraagd en de Kroatische autoriteiten hem niet menswaardig behandeld hebben. De Kroatische autoriteiten hebben hem namelijk onder erbarmelijke en mensonterende omstandigheden opgesloten. Weliswaar mag verweerder uitgaan van de informatie uit Eurodac, maar de Kroatische autoriteiten hebben eiser niet geïnformeerd over het aanvragen van asiel en de mogelijkheid daartoe. De Kroatische autoriteiten hebben in strijd met artikel 4 van het Handvest gehandeld door eiser te dwingen om zijn vingerafdrukken te geven. Van eiser kan niet worden verlangd om te klagen bij de Kroatische autoriteiten gezien de behandeling door de Kroatische autoriteiten, de taalbarrière en het ontbreken van (juridische) hulp in Kroatië. Verweerder mocht dan ook niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Uit een uitspraak van de zittingsplaats Zwolle volgt dat Dublinterugkeerders in Kroatië een reëel risico lopen op pushbacks. De Afdeling heeft deze grond – met onderbouwing van een Duitse uitspraak en een AIDA-rapport – nog niet behandeld, waardoor een eventuele verwijzing naar eerdere uitspraken van de Afdeling geen doel treft. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de zittingsplaats Zwolle.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om strijdig te zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest, moeten deze tekortkomingen een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat deze drempel in zijn geval is bereikt. De hoogste bestuursrechter heeft in de uitspraak van 13 september 2023 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit uitgangspunt heeft de Afdeling recentelijk nog bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich op goede gronden op het standpunt dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van deze jurisprudentie af te wijken, nu in de door eiser aangehaalde AIDA rapport al door de Afdeling is beoordeeld en uit de Duitse uitspraak geen wezenlijk ander beeld van de asielsituatie in Kroatië volgt dan voorheen. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de zittingsplaats Zwolle maakt het voorgaande niet anders.
5.2.
Ook het persoonlijk relaas van eiser leidt niet tot de conclusie dat hij bij overdracht naar Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De enkele stellingen van eiser dat hij in Kroatië werd gedwongen om zijn vingerafdrukken te geven en onder erbarmelijke en mensonterende omstandigheden opgesloten werd, zijn, zonder dit te onderbouwen met stukken die eisers persoonlijk betreffen, daartoe onvoldoende. Verder mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen met de Kroatische asielprocedure, opvang, of anderszins, beklaagt bij de (hogere) Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Kroatische autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Artikel 17 van de Dublinverordening
6. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat zijn overdracht aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd en zijn verklaringen zijn bovendien al betrokken in het kader van de vraag of er voor Kroatië nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen.
Conclusie
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5401.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5672.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.