Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:18417
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,014 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/8108
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.R. Plug),
en
het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem, verweerder
(gemachtigde: mr. T. van der Geer & I. Scheers).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] uit [woonplaats] , belanghebbenden.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor het (her)bouwen van een schuur nabij het adres [adres] te [plaatsnaam] .
1.1.
Verweerder heeft in eerste instantie de omgevingsvergunning met het besluit van 19 juli 2022 (het primaire besluit) verleend. Met het besluit van 7 november 2022 (het bestreden besluit) op het bezwaar van belanghebbenden heeft verweerder de aanvraag alsnog geweigerd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Belanghebbenden hebben zich afgemeld voor de zitting.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser is de eigenaar van het perceel nabij [adres] te [plaatsnaam] . Op dit perceel stond al tientallen jaren een schuur, die is omgewaaid tijdens storm Eunice in 2022.
Op 11 mei 2022 heeft hij bij verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het (her)bouwen van een schuur op zijn perceel.
2.1.
Verweerder heeft de omgevingsvergunning met het primaire besluit verleend. Naar aanleiding van de bezwaren van de belanghebbenden en het daaropvolgende advies van de ambtelijk hoorder heeft verweerder met het bestreden besluit de aanvraag om een omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het (her)bouwen van de schuur strijdig is met het bestemmingsplan en eiser geen beroep op het overgangsrecht kan doen.
2.2.
Omdat eiser het daarmee niet eens is, heeft hij tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Is eiser ten onrechte niet gehoord door een onafhankelijke commissie?
5. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet is gehoord door een onafhankelijke commissie bezwaarschriften, maar door een ambtelijk hoorder. Volgens eisers schrijft de Verordening commissie bezwaarschriften Kaag en Braassem 2012 (de Verordening) in dit geval voor dat het horen in de bezwaarfase moet worden gedaan door de commissie bezwaarschriften. Eiser wijst op artikel 2, tweede lid, van de Verordening waarin staat dat de commissie bezwaarschriften ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten bevoegd is als het gaat om een te nemen beslissing op een bezwaarschrift tegen een besluit tot het verlenen, intrekken of weigeren van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project, dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’, zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub a van de Wabo.
5.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Verordening niet meer volledig is. Volgens verweerder is het al jaren een vaste gedragslijn dat gebonden beschikkingen worden afgedaan door middel van een advies van een ambtelijk hoorder van de gemeente. Verweerder onderbouwt dit aan de hand van jaarverslagen uit 2019 en 2020.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat de Verordening nog steeds in werking is. De rechtbank stelt verder vast dat in dit geval sprake is van een besluit op een bezwaarschrift tegen een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project, dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’. Dit betekent dat eiser terecht betoogt dat op grond van artikel 2, tweede lid, van de Verordening de commissie bezwaarschriften bevoegd was tot horen in de bezwaarfase. De Verordening maakt het weliswaar mogelijk om gebruik te maken van ambtelijk horen in plaats van een commissie bezwaarschriften, maar daartoe moet op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Verordening een afzonderlijk besluit worden genomen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat een dergelijk besluit niet is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom in strijd gehandeld met de Verordening. De rechtbank ziet evenwel aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser door deze gang van zaken niet in zijn belang geschaad. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het slechts gaat om een advies over de bezwaren, terwijl verweerder uiteindelijk het besluit neemt. Eiser heeft bovendien bij het ambtelijk horen al zijn argumenten naar voren kunnen brengen. Voor zover eiser vindt dat het advies onjuist is, heeft hij in beroep al zijn gronden daarover naar voren kunnen brengen. De rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat andere belanghebbenden zijn benadeeld.
Heeft verweerder de belanghebbenden terecht als belanghebbende aangemerkt?
6. Eiser betoogt dat de belanghebbenden, de bezwaarmakers tegen het primaire besluit, door verweerder ten onrechte als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb zijn aangemerkt. Volgens eiser bevinden de woningen van belanghebbenden zich op 88, 100 en 130 meter afstand van het bouwplan. Bovendien hebben zij volgens eiser vanuit hun woningen geen zicht op de schuur.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat in ieder geval twee van de drie belanghebbenden binnen 100 meter van het bouwplan wonen en dat de derde belanghebbende op 130 meter van het bouwplan woont. De rechtbank stelt ook vast dat vanaf de percelen zicht bestaat op het bouwplan. De rechtbank overweegt dat verweerder daarom de belanghebbenden terecht ontvankelijk heeft geacht in hun bezwaar. Het betoog slaagt niet.
Overgangsrecht
7. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de schuur in strijd is met het geldende bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”. Volgens eiser valt de schuur namelijk onder het overgangsrecht.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat in artikel van 38.1 van de planregels van het huidige bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” de volgende overgangsregel is opgenomen:
a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
3. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit de algehele herbouw van (bedrijfs)woningen mag uitsluitend plaatsvinden op bestaande fundamenten;
b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat voorafgaand aan het huidige bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ” gold. In artikel 45 van dit bestemmingsplan is de volgende overgangsbepaling (voor zover relevant) opgenomen:
Bouwen in strijd met het plan
4. Bouwenwerken, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan bestaan dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, en in enigerlei opzicht van het plan afwijken, mogen, mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot: gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;geheel worden vernieuwd, indien het bouwwerk door een calamiteit is tenietgedaan, mits de bouwvergunning wordt aangevraagd binnen twee jaar nadat het bouwwerk is tenietgedaan.(…)
7. Het bepaalde in lid 4 is niet van toepassing op bouwwerken die op het genoemde tijdstip weliswaar bestaan, maar gebouwd zijn in strijd met het bepaalde bij of krachtens de woningwet.
7.3.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie op degene die een beroep doet op het overgangsrecht in beginsel de plicht rust om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schuur valt onder het bouwovergangsrecht van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 januari 2021; ECLI:NL:RVS:2021:167