Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:23396
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,893 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1815
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: R.L. Haverkamp)
en
het college burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem
(gemachtigde: mr. W. Brakenhoff).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het vervangen en vergroten van een steiger nabij de [adres] in [plaats] . Eiser is het niet eens met de weigering. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 7 april 2023 heeft het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor het vervangen en vergroten van de steiger afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 januari 2024 is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 november 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Verweerschrift in de bezwaarprocedure
4. Eiser voert aan dat hij onvoldoende tijd heeft gehad om te reageren op het verweerschrift in bezwaar. Het college heeft het verweerschrift namelijk niet uiterlijk tien dagen voor de hoorzitting overgelegd, aldus eiser.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het verweerschrift op tijd is aangeleverd.
4.2.
Op grond van artikel 7:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de hoorzitting nadere stukken indienen.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat het college het procesdossier inclusief het verweerschrift op 30 augustus 2023, veertien dagen voor de hoorzitting op 13 september 2023, naar de Commissie voor de bezwaarschriften heeft verstuurd. Dat betekent dat het college het verweerschrift tijdig heeft ingediend. Dat eiser het verweerschrift mogelijk minder dan tien dagen voor de hoorzitting doorgestuurd heeft gekregen door de Commissie voor de bezwaarschriften, doet er niet aan af dat het college heeft voldaan aan artikel 7:4, eerste lid, van de Awb.
4.4.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met het bestemmingsplan?
5. Eiser betoogt dat de ter plaatse geldende bestemmingsplannen het wel mogelijk maken om de steiger te realiseren.
5.1.
Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Oost’ en ‘Heiligegeestlaan Rijnsaterwoude’. In beide bestemmingsplannen is aan de betrokken gronden, waar de steiger is voorzien, de bestemming ‘Water’ toegekend.
5.2.
Artikel 19.2 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’ bepaalt dat op deze gronden worden gebouwd en dat (voor zover hier relevant) de volgende regels gelden:
d. per (bedrijfs)woning of verblijfsrecreatief onderkomen, waarvan het bouwvlak aansluit op de bestemming ‘Water’, mag maximaal 1 steiger gebouwd worden;
e. de maximum breedte van de steiger bedraagt 1,2 m;
f. de maximum lengte van de steiger bedraagt 7,0 m;
g. de steiger mag niet meer dan 5,0 m vanaf de kader het water insteken;
h. de steiger dient aan te sluiten op het bouwvlak van de betreffende woning/verblijfsrecreatief onderkomen.
5.3.
Artikel 19.3.1 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’ bepaalt dat het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van het gestelde in artikel 19.2, onder e en f, ten behoeve van een andere maatvoering voor steigers, met inachtneming van het volgende:
a. de lengte mag vergroot worden tot ten hoogste 15 m;
b. de diepte mag vergroot worden tot ten hoogste 7 m;
c. de steiger mag geen afbreuk doen aan de bestaande landschaps- en natuurwaarden;
d. de doorvaarbaarheid mag niet in het geding zijn.
5.4.
Artikel 19.3.2 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’ bepaalt dat het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van het gestelde in artikel 19.2, onder h, ten hoeve van steigers voor bouwvlakken, waarbij het bouwvlak niet aansluit op de bestemming ‘Water’, maar gescheiden is van het water door een weg en/of een dijklichaam, met inachtneming van het volgende:
a. voor het overige gelden de voorwaarden van artikel 19.2;
b. de steiger dient in het verlengde van het bouwvlak gebouwd te worden;
c. de steiger mag de landschappelijke en natuurlijke waarden van de oevers en de aangrenzende gronden niet onevenredig aantasten;
d. de steiger of het gebruik ervan mag de verkeersveiligheid niet in gevaar brengen;
e. de doorvaarbaarheid mag niet in het geding zijn.
5.5.
Artikel 4.2.2, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan ‘Heiligegeestlaan Rijnsaterwoude’ bepaalt dat voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, (voor zover hier relevant) de volgende bepalingen gelden:
a. uitsluitend keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen mogen worden gebouwd.
5.6.
Artikel 4.3 van het bestemmingsplan ‘Heiligegeestlaan Rijnsaterwoude’ bepaalt dat het bevoegd gezag voor het bouwen van aanlegsteigers een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder a, met dien verstande dat:
a. de hoogte maximaal 1 m mag bedragen;
b. de diepte van een steiger maximaal 15 m mag bedragen;
c. de breedte van een steiger maximaal 1,2 m mag bedragen;
d. per in het plan als zodanig bestemd verblijfsrecreatief onderkomen, grenzend aan of waarvan het perceel grens aan de bestemming, maximaal 1 steiger mag worden gebouwd.
e. de afwijking alleen wordt verleend indien geen onevenredige schade wordt toegebracht aan de natuur- en landschapswaarden van de gronden, dan wel de mogelijkheid van herstel van die waarden niet onevenredig wordt verkleind.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat het bouwplan niet past binnen voornoemde bouwregels en voorwaarden van binnenplanse afwijkingsbevoegdheden van de bestemmingsplannen. De beoogde steiger voldoet namelijk niet aan de vereiste maatvoering. De steiger zou ook niet aansluiten bij een woning of een verblijfsrecreatief onderkomen. Het college stelt zich dus terecht op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met de bestemmingsplannen en dat binnenplans afwijken daarvan niet mogelijk is.
5.8.
Het betoog slaagt niet.
Oude steiger (bouwovergangsrecht)
6. Eiser betoogt dat het college niet heeft gereageerd op het standpunt van eiser dat ter plaatse wel een steiger heeft gestaan. Hiervan zijn geen luchtfoto’s meer beschikbaar, maar de steigerbouwer kan een verklaring afleggen van wat hij heeft weggehaald en hoe lang dat er heeft gestaan.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het overgangsrecht niet van toepassing is. Eiser heeft nagelaten gemotiveerd te onderbouwen dat er al die tijd een legale steiger met de door hem aangevoerde maatvoering aanwezig was. Uit door het college overgelegde luchtfoto’s van 2013 blijkt in ieder geval dat toen geen steiger aanwezig was.
6.2.
Voor zover eiser heeft beoogd een beroep te doen op het bouwovergangsrecht van artikel 12.1 van het bestemmingsplan ‘Heiligegeestlaan Rijnsaterwoude’ en artikel 38.1 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’, oordeelt het rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak volgt dat in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht rust om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eiser hier niet in. Eiser heeft geen luchtfoto’s of ander bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de relevante peildata al een steiger van gelijke omvang aanwezig was. Op de luchtfoto’s uit 2013 die het college heeft overgelegd is een veel kleinere steiger te zien dan eiser thans heeft aangevraagd. De enkele stelling dat ter plaatse eerder al een steiger aanwezig was, is onvoldoende om een geslaagd beroep te doen op het bouwovergangsrecht. Daarbij komt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de oude steiger legaal was gerealiseerd.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het college heeft de omgevingsvergunning terecht geweigerd.
10. Eiser krijgt daarom het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:167, r.o. 4.1.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2595, r.o. 4.1.