Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:17107
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,292 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.36848 en NL24.36849
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 september 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en op [geboortedag] 1995 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Allereerst stelt eiser dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling dat eiser onder dwang zijn vingerafdrukken heeft moeten afstaan in Kroatië en dat hij daar geen asielverzoek heeft ingediend. Aangezien er geen sprake is van een terugnameverzoek maar van een overnameverzoek is het verzoek aan de Kroatische autoriteiten op onjuiste grond gedaan. Het feit dat de Kroatische autoriteiten het verzoek hebben geaccepteerd, doet daar niet aan af. Daarnaast stelt eiser dat verweerder ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië gezien de ernstige tekorten in opvangplaatsen, ter onderbouwing waarvan wordt verwezen naar een brief van VWN. Het schrijnende tekort aan opvangcapaciteit lijdt ertoe dat er een reële kans is dat asielzoekers in een met artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest strijdige situatie terecht komen. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar verschillende uitspraken. Ook blijkt uit de genoemde stukken dat Dublinclaimanten niet kunnen worden onderscheiden van andere asielzoekers en dus het risico lopen om slachtoffer te worden van gewelddadige pushbacks en collectieve uitzettingen. Verder heeft verweerder geen onderzoek gedaan naar de opvangsituatie in Kroatië en is volstaan met stukken standaard-tekst uit voornemens en beschikkingen in soortgelijke zaken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Standaard voornemen en beschikking
5. Over de stelling van eiser dat verweerder heeft volstaan met stukken standaard-tekst uit eerdere voornemens en beschikkingen, overweegt de rechtbank dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Ook als de verklaringen van eiser niet kenbaar zijn betrokken in het voornemen heeft eiser door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid om te reageren op het voornemen. Bovendien volgt uit jurisprudentie van de Afdeling dat een standaardvoornemen wel aan de vereisten kan voldoen. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen voldoende duidelijk uiteen heeft gezet op grond van welke redenen Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers en ook dat verweerder geen reden ziet om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Eiser heeft dan ook voldoende mogelijkheid gehad om op het voornemen te reageren in de zienswijze. Verder is verweerder in het besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Ook is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor en wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd.
Totstandkoming van het verzoek
6. Met betrekking tot de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte heeft gemeend dat er sprake is van een terugnameverzoek in plaats van een overnameverzoek, overweegt de rechtbank dat uit het Eurodac-systeem volgt dat eiser op 23 juli 2022 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft gedaan. De enkele stelling van eiser dat hij geen asielverzoek heeft ingediend, maakt niet dat verweerder niet zou mogen uitgaan van de juistheid van de informatie uit het Eurodac-systeem. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij Kroatië terecht geen verzoek tot overname maar een verzoek om terugname heeft gedaan en dat Kroatië een claimakkoord heeft gegeven met toepassing van artikel 18, eerste lid, onder b van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De hoogste bestuursrechter heeft in de uitspraak van 13 september 2023 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit uitgangspunt heeft de Afdeling recentelijk nog bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van het oordeel van de Afdeling af te wijken, nu in de door eiser aangehaalde bronnen al door de Afdeling zijn beoordeeld. Verder mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Kroatische opvangvoorzieningen of anderszins beklaagt bij de (hogere) Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Kroatische autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Conclusie
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
VluchtelingenWerk Nederland.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4354, NL24.22621; de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13748, NL24.29617.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4348.
De Afdeling, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Zie de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.