Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-27
ECLI:NL:RBDHA:2023:15888
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,885 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/45
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 september 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: R.V. Lie-A-Lien),
en
de burgemeester van Lisse, verweerder
(gemachtigde: J. Burema).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 18 mei 2022 heeft verweerder aan eiseres een last onder bestuursdwang opgelegd tot sluiting van het bedrijfspand met adres [adres] [nummer] in [plaats] (het bedrijfspand) voor de duur van 12 maanden, ingaande op 25 mei 2022 om 10.00 uur.
1.1.
Met het bestreden besluit van 24 november 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 augustus 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Namens eiseres nam deel [naam], bestuurder, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Deze zaak gaat over de sluiting van een bedrijfspand naar aanleiding van de bevindingen in een bestuurlijke rapportage van de politie van 31 maart 2022. Het bedrijfspand werd door eiseres verhuurd. Volgens de bestuurlijke rapportage zijn in een afzonderlijke ruimte van het bedrijfspand goederen en stoffen aangetroffen die typische producten zijn voor de grootschalige vervaardiging van amfetamine. Volgens de politie kan worden gesteld dat de afzonderlijke ruimte in het bedrijfspand een productieruimte voor grootschalige vervaardiging van amfetamine is geweest. De politie acht het ook zeer aannemelijk dat een handelshoeveelheid amfetamine in het pand aanwezig is geweest. Op basis van de deze bevindingen heeft verweerder het bedrijfspand voor de duur van 12 maanden gesloten.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres vindt dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. In ieder geval is sprake van verminderde verwijtbaarheid.
Verweerder heeft de sluiting van het bedrijfspand niet kunnen baseren op artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet, omdat in het bedrijfspand alleen grondstoffen voor de productie van amfetamine zijn aangetroffen en geen eindproduct. Het enkele aantreffen van grondstoffen is – zonder andere aanwijzingen – onvoldoende om te stellen dat drugs waren bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking in of uit het bedrijfspand. Het aantreffen van grondstoffen is een minder ernstig feit, waarvoor de Opiumwet ook een lagere strafmaat stelt. Verder is sluiting van het bedrijfspand voor de duur van 12 maanden niet noodzakelijk en kon met een minder verstrekkende maatregel worden volstaan. Verweerder heeft ten onrechte geen gewicht toegekend aan de onevenredige gevolgen van sluiting van het bedrijfspand en gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play. De sluiting heeft het karakter gekregen van een punitieve sanctie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Bevoegdheid tot sluiting
4. Verweerder was in beginsel bevoegd om het bedrijfspand te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet. Gelet op de bestuurlijke rapportage en de daarin opgenomen bevindingen van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen van de politie (LFO) is het voldoende aannemelijk dat het bedrijfspand is gebruikt voor de grootschalige productie van amfetamine. Met de in het bedrijfspand aangetroffen grondstoffen kon volgens de bestuurlijke rapportage 600 kg amfetamine worden geproduceerd. In een container is ook een stroperige laag aangetroffen die positief is getest op amfetamine. Verweerder mocht er daarom van uitgaan dat het bedrijfspand is gebruikt voor de verkoop, aflevering of verstrekking van harddrugs. Deze activiteiten strekken verder dan voorbereidingshandelingen, waarop artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet betrekking heeft. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet niet is beperkt tot een situatie waarin daadwerkelijk drugs zijn aangetroffen. Dat in het pand geen eindproduct is aangetroffen, brengt daarom niet mee dat een sluiting van het bedrijfspand alleen zou kunnen worden gebaseerd op de in artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, opgenomen bevoegdheid. Het betoog van eiseres dat de sluiting op een onjuiste wettelijke grondslag is gebaseerd, slaagt daarom niet.
Noodzaak van sluiting
5. Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of verweerder met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
5.1.
Het is gelet op de bestuurlijke rapportage en de bevindingen van de LFO aannemelijk dat het bedrijfspand werd gebruikt voor de grootschalige productie van amfetamine. Verder heeft verweerder er betekenis aan kunnen hechten dat het bedrijfspand op een voor drugscriminaliteit kwetsbaar bedrijventerrein staat, waar verweerder vanaf 2018 meerdere panden heeft gesloten omdat daar (hard)drugs werden geproduceerd. Verweerder heeft daarom aannemelijk kunnen achten dat het bedrijfspand een schakel vormde in een keten van drugshandel. In dat kader heeft verweerder kunnen meewegen dat de onderhuurder bij de politie bekend is vanwege stafrechtelijke antecedenten, waaronder vervaardiging van softdrugs en geweld. Dat er, zoals eiseres betoogt, na de constateringen van de politie geen overtredingen van de Opiumwet meer zouden hebben plaatsgevonden, maakt het voorgaande niet anders.
5.2.
In aanmerking genomen de ernst van de situatie, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de met sluiting beoogde doelen niet kunnen worden bereikt met een sluiting korter dan 12 maanden, of met de door eiseres genoemde – minder ingrijpende – maatregelen zoals een gedragsaanwijzing en cameratoezicht.
5.3.
Het betoog van eiseres dat uit de wetsgeschiedenis van de Opiumwet in algemene zin volgt dat bij een eerste overtreding niet tot sluiting moet worden overgegaan, slaagt niet. De wetsgeschiedenis waarop eiseres doelt heeft betrekking op sluiting van een woning, terwijl het hier gaat om een ‘lokaal’ als bedoeld in de Opiumwet. Bovendien is sprake van een ernstige situatie.
5.2.
De door eiseres naar voren gebrachte omstandigheid dat het bedrijfspand niet in een woonwijk maar op een bedrijventerrein staat, brengt ook niet mee dat sluiting niet noodzakelijk zou zijn. Verweerder heeft sluiting van het bedrijfspand noodzakelijk kunnen achten voor het belang van een veilig leef- en ondernemersklimaat op het bedrijventerrein.
5.3.
De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar betoog dat het vanwege het tijdsverloop tussen de activiteiten van de onderhuurder en de constatering daarvan door de politie, niet langer noodzakelijk was om ‘de loop’ naar het bedrijfspand met een sluiting te beëindigen. De door eiseres aangehaalde verklaring van de voormalige huurder dat al twee jaar geen activiteiten in de afzonderlijke ruimte hebben plaatsgevonden is daarvoor onvoldoende. Die verklaring sluit niet uit dat activiteiten hebben plaatsgevonden die niet door de voormalige huurder zijn waargenomen. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij activiteiten die in nachtelijke uren hebben plaatsgevonden. Verder kan de rechtbank verweerder erin volgen dat het vanwege de grote hoeveelheid aangetroffen grondstoffen voor de productie van amfetamine niet voor de hand ligt dat de productie van deze drugs al enkele jaren was gestaakt.
5.4.
Het tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding en de daadwerkelijke sluiting is, anders dan eiseres betoogt, ook niet zodanig dat sluiting niet meer noodzakelijk kon worden geacht ter voorkoming van overtreding van de Opiumwet. De door eiseres naar voren gebrachte uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 april 2022 geeft in dit verband ook geen aanleiding voor het oordeel dat een sluiting verminderd noodzakelijk was. In die uitspraak is onder meer meegewogen dat het pand vijf maanden na de constatering werd gesloten en dat het pand feitelijk al ongeveer twee maanden door de politie was gesloten. Dat is niet het geval in de voorliggende situatie, waarin het bedrijfspand binnen twee maanden na de datum van de bestuurlijke rapportage is gesloten.
5.4.
Verweerder heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiseres genoemde omstandigheden – zoals de gestelde actieve medewerking aan beëindiging van de overtreding – geen bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot afwijking van de in de beleidsregels opgenomen sluitingsduur van 12 maanden.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
27 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2400.
Uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:252.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8013.
ECLI:NL:RBROT:2022:3196.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1764).
Overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
Uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2774.
ECLI:NL:RVS:2019:2462.
Uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juni 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6085 en een uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2424.