Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-11-28
ECLI:NL:RBDHA:2022:15417
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,563 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.23102
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Berends),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. F. van de Kamp).
Procesverloop
Verweerder heeft op 2 mei 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd (verlengingsbesluit) op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw.
Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Berry. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1976.
Toetsingskader
2. Verweerder moet in het verlengingsbesluit conform het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat.
Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi1 voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit.2
Zienswijze
3. De gemachtigde van eiser stelt dat de ingediende zienswijze van 27 oktober 2022 had moeten worden betrokken bij de beoordeling van het verlengingsbesluit. Het bestreden besluit is op 28 oktober 2022 aan eiser uitgereikt en dus pas op dat moment in werking getreden. De zienswijze had dus wel in behandeling genomen kunnen en moeten worden.
4. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat de gemachtigde van eiser te laat was met het indienen van de zienswijze. In het vertrekgesprek van 20 oktober 2022 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen medegedeeld. Verweerder heeft in het
e-mailbericht van 21 oktober 2022 de gemachtigde van eiser in kennis gesteld van het voornemen en medegedeeld dat binnen vijf dagen een zienswijze kenbaar gemaakt kan worden. Dat heeft de gemachtigde van eiser niet gedaan.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Tijdens het vertrekgesprek op 20 oktober 2022 heeft verweerder zijn voornemen om de maatregel van bewaring te verlengen kenbaar gemaakt aan eiser. Eiser heeft toen de mogelijkheid gekregen te reageren op dit voornemen. Verder is tijdens dit vertrekgesprek ook vermeld dat dit voornemen via een e-mail kenbaar wordt gemaakt aan de gemachtigde van eiser en dat binnen vijf dagen een zienswijze kan worden ingediend. De rechtbank oordeelt dat deze termijn niet als onredelijk kort kan worden aangemerkt. De zienswijze is op 27 oktober 2022 kenbaar gemaakt, dat is dus te laat. Op 27 oktober 2022 is het verlengingsbesluit, gezien de datum die vermeld staat op dit besluit, genomen en in werking getreden. De door de gemachtigde van eiser ingediende zienswijze is daarom terecht niet meegenomen door verweerder. De beroepsgrond slaagt niet.
Voorwaarden voor verlenging
6. De rechtbank stelt voorop dat eiser ten aanzien van de voorwaarden voor de verlening van de maatregel van bewaring geen specifieke beroepsgronden heeft gericht.
7. Volgens artikel 59, zesde lid, van de Vw mag de maatregel van bewaring met nog eens twaalf maanden worden verlengd, als uitzetting wellicht meer tijd zal vergen (alle redelijke inspanningen ten spijt) als de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
8. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging. Eiser heeft niet meegewerkt aan zijn vertrek. Er zijn negen vertrekgesprekken met hem gevoerd, die niet hebben geleid tot het daadwerkelijke vertrek van eiser. Uit meerdere vertrekgesprekken blijkt dat eiser niet mee wil werken aan zijn terugkeer naar Nigeria. Zo zegt hij bijvoorbeeld dat hij daar geen toekomst heeft3 en dat hij niet zal meewerken aan de covid-test.4 Verder heeft verweerder gemotiveerd waarom de
1ECLI:EU:C:2014:1320.
2 ECLI:NL:RVS:2019:4460.
3 Zie bijvoorbeeld het vertrekgesprek van 8 juni 2022.
4 Zie het vertrekgesprek van 5 augustus 2022.
nodige documentatie uit Nigeria nog op zich laat wachten. Verweerder heeft een laissez- passer (LP) aangevraagd, maar eiser heeft de eerste presentatie in persoon geweigerd.
Vervolgens heeft verweerder dan ook gekozen voor een schriftelijke presentatie. De Nigeriaanse autoriteiten hebben naar aanleiding van deze presentatie op 13 juli 2022 bevestigd dat eiser de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Ondanks deze presentatie laat de nodige documentatie nog op zich wachten. Eiser heeft dus niet meegewerkt aan zijn uitzetting en de daartoe benodigde documentatie uit een derde land ontbreekt nog.
Bewaringsgronden
9. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 2 mei 2022 in bewaring is gesteld, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens staat in het verlengingsbesluit dat de volgende gronden voor bewaring uit artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit ten grondslag liggen aan het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
10. De rechtbank stelt vast dat eiser deze gronden niet heeft betwist. Deze gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende en kunnen het verlengingsbesluit dragen.
Zicht op uitzetting
11. Eiser stelt zich op het standpunt dat het zicht op uitzetting ontbrak ten tijde van het nemen van het verlengingsbesluit. De Nigeriaanse autoriteiten vereisten destijds nog steeds een negatieve covid-test en kennelijk was er ook geen ‘waiver’ verkregen. Verder heeft de gemachtigde van eiser informatie ontvangen over een speciale vlucht naar Nigeria op 14 september 2022, waarbij zes Nigeriaanse vreemdelingen zijn uitgezet die geweigerd hebben om mee te werken aan de covid-test. Eiser is toen niet uitgezet. Daarnaast is bij de rechtbank Amsterdam een procedure op grond van artikel 64 van de Vw aanhangig. Ter zitting vult eiser hierover nog aan dat op 21 november 2022 het verzoek om een voorlopige voorziening in de procedure op grond van artikel 64 van de Vw is toegewezen en het bestreden besluit wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep. Dat betekent naar de mening van eiser dat zijn uitzetting die gepland staat op 22 november 2022, geen doorgang kan vinden.
12. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheid dat eiser weigert mee te werken aan de verplichte covid-test voor zijn rekening en risico komt.5 Deze weigering is een tijdelijke belemmering en maakt niet dat er in zijn algemeenheid geen zicht op uitzetting meer is naar
5 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:917
Nigeria. Verder heeft verweerder ter zitting medegedeeld dat er voor eiser ook een ‘waiver’ is aangevraagd. Dat blijkt uit een interne e-mail van de regievoerder waar de gemachtigde van verweerder ter zitting uit heeft geciteerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze mail en de mededeling van de gemachtigde van verweerder dat een ‘waiver’ is aangevraagd. Dat eiser op 14 september 2022 niet is meegegaan op de vlucht naar Nigeria, maakt niet dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Dat de voorlopige voorziening in de procedure op grond van artikel 64 van de Vw is toegewezen, maakt ook niet dat het zicht op uitzetting naar Nigeria ontbreekt. Dit is een toekomstige, onzekere, tijdelijke belemmering.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
6ECLI:EU:C:2022:858.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 november 2022
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.