Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:10417
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,584 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18163
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Verweerder heeft op 25 mei 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Bij besluit van 25 mei 2023 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 27 juni 2023 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 7 juli 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Toetsingskader
2. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw kan de bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
3. Verweerder moet in het verlengingsbesluit volgens het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vc nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit. Er hoeft geen aparte verzwaarde belangenafweging plaats te vinden bij het bepalen of de maatregel van bewaring verlengd mag worden.
Voorwaarden voor verlenging
4. Eiser heeft geen gronden van beroep gericht tegen de grondslag voor de verlenging van de maatregel van bewaring. De rechtbank is oordeel dat aan de voorwaarden voor de verlenging van de maatregel van bewaring is voldaan. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet meewerkt aan zijn terugkeer en een geldig document voor grensoverschrijding ontbreekt. Eiser heeft tweemaal, namelijk op 5 april 2023 en 24 mei 2023, geweigerd mee te werken aan een presentatie voor de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko. Een document voor grensoverschrijding kan niet worden afgegeven als geen presentatie plaatsvindt. Eiser heeft dan ook het proces onnodig vertraagd door niet mee te werken.
Gronden voor bewaring
5. Eiser heeft de gronden die aan het verlengingsbesluit ten grondslag liggen niet betwist, zodat nog altijd kan worden aangenomen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Zicht op uitzetting
6. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Eiser stelt dat het aan de Marokkaanse autoriteiten toe te rekenen is dat zijn uitzetting wellicht meer tijd zal vergen, omdat zij zijn nationaliteit reeds hebben bevestigd. Onduidelijk is dan ook waarom de Marokkaanse autoriteiten nog geen LP hebben verstrekt, aldus eiser.
7. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2023, van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. De rechtbank neemt hierbij in acht dat eiser niet meewerkt. Zoals verweerder heeft opgemerkt, is een presentatie in persoon aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko een vereist onderdeel in het identificatieproces, ook nadat de nationaliteit is bevestigd van vreemdeling. Dat eiser niet wil meewerken aan een presentatie en het proces hierdoor onnodig wordt vertraagd, zoals hiervoor is overwogen, komt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor rekening en risico van eiser. Verder is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser geen LP zullen afgeven.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring, en de verlenging daarvan, tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Op grond van artikel 94, zevende lid, van de Vw.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Richtlijn 2008/115/EG.
HvJEU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320.
ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460.
Laissez-passer.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ABRvS 16 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1968.
HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.