Rechtspraak
Raad van State
2022-06-24
ECLI:NL:RVS:2022:1806
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
858 tokens
Inleiding
202203060/1/V3.
Datum uitspraak: 24 juni 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kind,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 mei 2022 in zaken nrs. NL22.7814, NL22.7815, NL22.8047 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 3 mei 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdelingen in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 mei 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdelingen klagen in hun eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris terecht de zware grond 3k - een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek - aan het bewaringsbesluit ten grondslag heeft gelegd, omdat uit uitspraken van de Afdeling van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85, en 28 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:917, volgt dat het weigeren om mee te werken aan de coronatest voor risico komt van de vreemdeling.
1.1. De rechtbank heeft voor de vraag of de staatssecretaris terecht de vreemdelingen de zware grond 3k heeft tegengeworpen, verwezen naar de genoemde uitspraken van de Afdeling. De Afdeling heeft daarin overwogen dat een vreemdeling, wanneer hij de voor de overdracht vereiste coronatest weigert, niet voldoet aan de op hem rustende plicht om actief en volledig mee te werken aan die overdracht. Die uitspraken gaan over de vraag of zicht op overdracht onder de Dublinverordening ontbreekt. Omdat de plicht om aan een door de staatssecretaris geregelde overdracht mee te werken juist bij de zware grond 3k aan de orde is, is die overweging ook van belang bij de toepassing van die grond. De omstandigheid dat de vreemdelingen hadden verklaard de coronatest niet te willen ondergaan betekent feitelijk dat zij niet meewerken aan de overdracht. Daarom volstond het om dit in het besluit bij de toepassing van de zware grond 3k te vermelden.
De grief faalt.
2. Wat de vreemdelingen verder hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Gemert
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2022
47