Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-13
ECLI:NL:RBAMS:2025:1836
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,626 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-283589-24 (EAB I)
Datum uitspraak: 13 maart 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 2 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 augustus 2024 door the Regional Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 februari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van the Regional Court in Gdańsk van 24 april 2023 (met kenmerk IV K 19/23), waaraan de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
een vonnis van the Regional Court in Gdańsk van 18 februari 2019 (met kenmerk XIV K 238/17) (hierna: onderliggend vonnis 1), waarover blijkens de aanvullende informatie van 7 februari 2025 in hoger beroep is geoordeeld door het Court of Appeal in Gdansk bij arrest van 15 september 2021 (met kenmerk II Aka 372/19).
een vonnis van the District Court in Belchatów van 29 juli 2020 (met kenmerk II K 194/20) (hierna: onderliggend vonnis 2),
een vonnis van the District Court in Belchatów van 9 april 2021 (met kenmerk II K 201/21) (hierna: onderliggend vonnis 3).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, vier maanden en vier dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De opgeëiste persoon heeft op de zitting van 27 februari 2025 na overleg met zijn raadsman expliciet verklaard afstand te doen van zijn recht zich te beroepen op een eventuele schending van zijn verdedigingsrechten zoals bedoeld in artikel 12 OLW. De rechtbank zal het verzamelvonnis en de onderliggende vonnissen daarom niet toetsen aan de facultatieve weigeringsgrond van artikel 12 OLW.
4Strafbaarheid
4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit 1 van onderliggend vonnis 1 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW is vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
4.2
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feit 2 van onderliggend vonnis 1 levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van, om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Het feit van onderliggend vonnis 2 levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Ten aanzien van het feit van onderliggend vonnis 3 overweegt de rechtbank dat dit feit, omschreven in het EAB als het niet betalen van kinderalimentatie, naar Nederlands recht niet strafbaar is nu uit de feitomschrijving niet blijkt dat de opgeëiste persoon daarbij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het in een hulpeloze toestand brengen of laten van zijn kind. Dit betekent dat de rechtbank de overlevering voor dit feit kan weigeren op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, OLW.
De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om van de weigering af te zien, omdat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft - het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen - en de overlevering toch al toelaatbaar is voor de andere feiten, terwijl in het verzamelvonnis voor alle feiten één vrijheidsstraf is opgelegd.
5Artikel 11 OLW
5.1.
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
5.2.
Heropening van het onderzoek ter zitting
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met parketnummer 13/022993-25 (EAB II) die bij tussenuitspraak van heden zal worden aangehouden voor onbepaalde tijd in verband met de detentieomstandigheden in het remand regime in Polen. Die zaak betreft een vervolgings-EAB. De rechtbank wil beide zaken gelijktijdig afdoen en zal daarom deze zaak ook voor onbepaalde tijd aanhouden. Een feitelijke overlevering in deze zaak zou in de weg staan aan een inhoudelijke afdoening van het vervolgings-EAB. De rechtbank laat het belang om op het vervolgings-EAB te kunnen beslissen zwaarder wegen dan het door de opgeëiste persoon aangevoerde belang om zo spoedig mogelijk in Polen zijn straf te kunnen uitzitten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de in Nederland ondergane overleveringsdetentie inzake dit EAB in Polen in mindering dient te worden gebracht op de uit te zitten straf. Het verzoek van de raadsman om deze zaak afzonderlijk af te doen, wijst de rechtbank dus af.
Nu de beslistermijn en derhalve de gevangenhouding in deze zaak eindigt op 31 maart 2025 (waarna de opgeëiste persoon op de gevangenneming inzake EAB II kan worden gedetineerd) verdient het de voorkeur om beide zaken zo spoedig mogelijk weer gezamenlijk op zitting te plannen.
Dictum
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, om deze zaak gelijktijdig af te kunnen doen met de zaak met parketnummer 13/022993-25 (EAB II);
STELT VAST dat de wettelijke termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank op het overleveringsverzoek moet beslissen, met ingang van 31 maart 2025 verstrijkt en vanaf dat moment geen wettelijke grondslag meer bestaat voor de gevangenhouding;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman en oproeping van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2021:1803
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).