Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-07-14
ECLI:NL:RBAMS:2022:4209
Strafrecht; Europees strafrecht
Tussenuitspraak
2,907 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/058738-22 (EAB I)
RK nummer: 22/2216
Datum uitspraak: 14 juli 2022
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 april 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 februari 2022 door the Circuit Court of Zielona Góra (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1968,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De rechtbank heeft het onderzoek op 9 juni 2022 geschorst tot 30 juni 2022, teneinde het EAB gelijktijdig te behandelen met een inmiddels ontvangen tweede EAB ten aanzien van de opgeëiste persoon.
De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de openbare zitting van 30 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een Judgment by the District Court of Żagań (Polen) van 22 mei 2019 (referentie: II K 225/19).
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt, met de raadsman en de officier van justitie, vast dat de feiten zoals omschreven in het EAB (‘het niet betalen van kinderalimentatie’) naar Nederlands recht niet strafbaar zijn. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt immers niet dat door het niet betalen van kinderalimentatie het kind in een hulpeloze toestand is terechtgekomen. De rechtbank verwijst in dit kader naar overweging 6.2 van haar uitspraak van 15 april 2021. De rechtbank zal echter geen gebruik maken van haar bevoegdheid om op grond van het ontbreken van de dubbele strafbaarheid de overlevering te weigeren, nu de feiten zelf met name aanknopingspunten met de Poolse rechtsorde hebben omdat zij zijn begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen een kind met de Poolse nationaliteit.
Voorts blijkt uit het navolgende dat de opgeëiste persoon mogelijk in aanmerking komt voor gelijkstelling, in welk geval het – gelet op het belang van de opgeëiste persoon om zijn sociale re-integratie in Nederland te laten plaatsvinden – de voorkeur verdient de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a OLW onder overname van de straf.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat het zijn voorkeur heeft de opgelegde straf in Nederland uit te zitten.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon heeft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verbleven in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger niet hoeft te worden aangetoond door middel van overlegging van een verblijfsdocument; dit kan ook door aan te tonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht is voldaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon al langer dan vijf jaar in Nederland verblijft. Hij heeft in 2015 en een gedeelte van 2016 in Nederland gewerkt, waarna hij een ernstig ongeluk heeft gehad en in 2016, 2017 en 2018 een Ziektewet-uitkering heeft genoten. In 2019 heeft hij weer gewerkt, waarna hij blijvend arbeidsongeschikt is geworden en in 2020 en 2021 een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) heeft genoten. De raadsman heeft voorafgaand aan de zitting een overzicht van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) betreffende het arbeidsverleden van de opgeëiste persoon overgelegd. Ook heeft de raadsman inkomensverklaringen van de Belastingdienst overgelegd over de jaren 2015 tot en met 2021 en stukken betreffende de zorgverzekering van de opgeëiste persoon over de jaren 2018 tot en met 2021. De opgeëiste persoon is geworteld in Nederland, heeft hier een inkomen, een woning, een partner en een ziektekostenverzekering, aldus de raadsman.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde. De opgeëiste persoon staat weliswaar sinds 2016 in Nederland ingeschreven, zodat op grond daarvan aangenomen kan worden dat hij ten minste vijf jaar in Nederland verblijft, maar hij genoot een Ziektewet-uitkering en geniet een WIA-uitkering. Dat betekent dat hij een economisch niet-actieve unieburger is.
Beoordeling
Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar (2017-2021) steeds een inkomen had boven 50% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, geldt voor economisch niet-actieve unieburgers geen hoger normbedrag. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Verblijfsrichtlijn (Richtlijn 2004/38).
Naar het oordeel van de rechtbank kan de opgeëiste persoon pas vanaf het moment dat hij een IVA-uitkering ontving worden aangemerkt als economisch niet-actief. Een unieburger, zoals de opgeëiste persoon, die heeft gewerkt en vervolgens in de Ziektewet terechtkomt, verliest immers niet zijn status als werknemer. Na de periode waarin hij een Ziektewet-uitkering genoot, heeft de opgeëiste persoon weer gewerkt. Hij was en bleef dan ook werknemer. Dit werd pas anders toen hij als arbeidsongeschikt in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) werd aangemerkt. Vanaf dat moment (in 2020) diende hij derhalve als economisch niet-actieve unieburger te beschikken over een ziektekostenverzekering. Uit de overgelegde stukken blijkt evenwel dat hij reeds vanaf 2018 beschikte over een ziektekostenverzekering.
De rechtbank concludeert dan ook dat aan de eerste voorwaarde is voldaan.
Tweede voorwaarde
Vervolgens moet de rechtbank toetsen of ook is voldaan aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Dat gebeurt aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Nu een dergelijke verklaring nog niet beschikbaar is, zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze alsnog aan de IND te vragen.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een verklaring van de IND te vragen over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf.
BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de opgeëiste persoon;
BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. R. Godthelp en W.B. van Bockel, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juli 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBAMS:2021:1803.
vergelijk rechtbank Amsterdam 18 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6776.
Zie het door Immigratie- en Naturalisatiedienst gehanteerde beleid (hoofdstuk B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000)