Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-27
ECLI:NL:RBAMS:2023:6015
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,534 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/031690-23 (was: 13/751812-18)
Datum uitspraak: 27 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 20 december 2018 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 maart 2018 door the District Court in Zamość, Second Penal Division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Het EAB is behandeld op de zittingen van 14 februari 2019 en 10 mei 2019. De rechtbank heeft op 28 februari 2019 en 24 mei 2019 een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft het onderzoek twee keer heropend, eerst om informatie op te vragen met het oog op de toetsing aan artikel 12 OLW en later om de antwoorden op in een andere zaak gestelde prejudiciële vragen af te wachten, die mogelijk ook van belang zouden kunnen zijn voor de afdoening van deze zaak.
De behandeling van het EAB is - met instemming van partijen -in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 13 september 2023, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
Met ingang van 1 april 2021 is de regeling van de verlenging van de beslistermijn van 90 dagen gewijzigd. Vóór die datum kon de rechtbank die termijn voor onbepaalde tijd verlengen, maar moest zij daarbij de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon schorsen onder het stellen van voorwaarden (artikel 22, vierde lid (oud), OLW). Zoals volgt uit een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie was deze bepaling niet in overeenstemming met Kaderbesluit 2002/584/JBZ en de uitleg die de rechtbank en het gerechtshof Amsterdam aan die bepaling gaven was niet volledig kaderbesluitconform. Na dit arrest hebben de rechtbank en het gerechtshof Amsterdam artikel 22, vierde lid (oud), OLW zo uitgelegd, dat in het geval van een zeer groot vluchtgevaar dat niet door het opleggen van passende maatregelen tot aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht de termijn van 90 dagen voor onbepaalde tijd kan worden verlengd zonder gelijktijdige schorsing (onder het stellen van voorwaarden) van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.
De rechtbank heeft eerder al geoordeeld dat de wijziging van artikel 22 OLW onmiddellijke werking heeft, tenzij sprake is van een verlenging op grond van het kaderbesluitconform uitgelegde artikel 22, vierde lid (oud), OLW.
Tegen de achtergrond van het voorgaande en mede gelet op het beginsel van rechtszekerheid is van deze uitzondering alleen sprake, indien de rechtbank de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid (oud), OLW voor onbepaalde tijd heeft verlengd en tegelijkertijd heeft beslist dat, vanwege een zeer groot vluchtgevaar dat niet door het opleggen van passende maatregelen tot aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht, de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon niet wordt geschorst.
In het onderhavige geval heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 24 mei 2019 de beslistermijn van 90 dagen voor onbepaalde tijd verlengd. De overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon was op de zitting van 14 februari 2019 al geschorst. Om die reden is geen sprake van een verlenging op grond van het kaderbesluitconform uitgelegde artikel 22, vierde lid (oud), OLW. Die beslissing komt dus geen eerbiedigende werking toe.
De rechtbank stelt dan ook vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding (tot aan de uitspraak).
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van de Regional Court in Tomaszów Lubelski (Polen) van
2 april 2015 (II K 327/12), legally valid op 16 februari 2016.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 24 mei 2019, onder verwijzing naar overwegingen in de tussenuitspraak van 28 februari 2019, beslist dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de orde is. Die beslissing wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 24 mei 2019 al vastgesteld dat hieraan is voldaan, omdat het feit naar Nederlands recht oplevert:
met iemand van wie hij weet dat hij in staat van bewusteloosheid/verminderd bewustzijn/lichamelijke onmacht verkeert ontuchtige handelingen plegen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft een beroep gedaan op gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander en weigering van de overlevering en overname van de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland bepleit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de opgeëiste persoon moet worden gelijkgesteld met een Nederlander en dat de overlevering moet worden geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland moet worden overgenomen.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 24 mei 2019 geoordeeld dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander slaagt.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 247 en 248 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Zamość, Second Penal Division (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Wet van 3 maart 2021 tot herimplementatie van onderdelen van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (wijziging van de Overleveringswet), Stb. 2021, 125.
HvJ EU 12 februari 2019, C-492/18 PPU, ECLI:EU:C:2019:108 (TC).
Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:729; Rb. Amsterdam 7 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3321.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 15 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1803 en Rb. Amsterdam 20 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5157.
Zie artikel 22 OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.