Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-10-26
ECLI:NL:RBAMS:2023:6800
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,437 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/205123-23
Datum uitspraak: 26 oktober 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 17 augustus 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 augustus 2023 door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 2005,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
[detentieadres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 oktober 2023, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.W. Koevoets, advocaat in Hoek, en door een tolk in de Litouwse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (2023/150). In het A-formulier staat dat dit bevel is uitgevaardigd op 11 augustus 2023.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
De raadsman heeft betoogd dat de feitsomschrijving ongenoegzaam is, omdat het tijdstip en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon ontbreken. Verder mist in de feitsomschrijving de beschrijving van de wijze waarop de opgeëiste persoon betrokken is bij het in het EAB genoemde feit. Daarom moet de overlevering worden geweigerd, aldus de raadsman.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is en dat het duidelijk is voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van strafrechtelijk onderzoek - met de omschrijving in het EAB, in samenhang gelezen met het A-formulier, voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, namelijk betrokkenheid bij een verkrachting in vereniging gepleegd op 6 augustus 2023 in België. De verplichting tot vermelding van het ‘tijdstip’ van het strafbare feit brengt niet mee dat het EAB naast een datum (of een periode) ook een tijdsaanduiding moet bevatten. Daarbij is de opgeëiste persoon, blijkens genoemde stukken, als dader aangemerkt. Ten aanzien van hetgeen de raadsman verder naar voren heeft gebracht, merkt de rechtbank op dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van verdenking niet hoeft te vermelden. Het is namelijk niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.
4Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De raadsman heeft aangevoerd dat het lijstfeit ‘seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie’ niet overeenkomt met de feitsomschrijving. Het lijstfeit is dus niet in redelijkheid aangekruist.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit ‘seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie’ in redelijkheid is aangekruist. Subsidiair is het feit ook naar Nederlands recht strafbaar.
De rechtbank overweegt als volgt. De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummers 4 en 27, te weten:
4) seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie;
27) verkrachting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Op basis van wat de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken. Het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, valt ook onder het lijstfeit “seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie”.
5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat er op dit moment voor alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet (ECLI:NL:RBAMS:2022:7536). Bij brief van 6 oktober 2023 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende individuele garantie gegeven:
1In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (België) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. J. van Zijl en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 oktober 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 3 januari 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV1095; Rb. Amsterdam 4 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5749.
Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.