Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-04-13
ECLI:NL:RBAMS:2022:2340
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,990 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751075-22 (EAB II)
RK nummer: 22/515
Datum uitspraak: 13 april 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 januari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 december 2021 door het Amtsgericht Tübingen (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 maart 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, uitgevaardigd door het Amtsgericht Tübingen (Duitsland), (referentie: 9 Gs 2206/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4Genoegzaamheid
De raadsman heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd ten aanzien van de feiten 2 tot en met 8 en 10, omdat ten aanzien van deze feiten geen tijdstip is vermeld ofwel een tijdstip dat niet kan kloppen. Deze feiten zijn daarom niet genoegzaam omschreven.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In de onderhavige zaak geldt het volgende.
In het EAB is te lezen dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van 10 woninginbraken, waarvan 2 pogingen, die hij samen met een ander zou hebben gepleegd in de nacht van 15 op 16 november 2021 op verschillende, in het EAB genoemde, plaatsen in Duitsland. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan de hiervoor genoemde vereisten. Dat het tijdstip niet is vermeld of mogelijk niet juist is, maakt dit niet anders. De verplichting tot vermelding van het ‘tijdstip’ van de strafbare feiten brengt immers niet mee dat naast een datum (of een periode) ook een tijdsaanduiding moet worden vermeld.
De rechtbank verwerpt het verweer.
5Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
(Poging) diefstal in vereniging.
6Samenloop EAB’s
Naast het onderhavige EAB (EAB II), is er ten aanzien van de opgeëiste persoon ook een EAB uit België uitgevaardigd (parketnummer 13/751074-22) (EAB I).
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat voorrang dient te worden gegeven aan EAB II, omdat de feiten in Duitsland ouder zijn, er in Duitsland voor meer feiten wordt vervolgd en er dus ook meer slachtoffers in Duitsland zijn.
In aanvulling heeft de opgeëiste persoon aangevoerd dat hij graag eerst naar Duitsland wordt overgeleverd, omdat zijn familie in Duitsland woont, zijn spullen in Duitsland liggen en hij ook een advocaat heeft in Duitsland.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 21 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5314, geoordeeld dat zij na kennisneming van het standpunt van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging, op grond van een eigen afweging zal komen tot een oordeel omtrent de vraag aan welk van de EAB’s voorrang dient te worden verleend. Artikel 26, derde lid, OLW geeft een aantal omstandigheden aan die bij de totstandkoming van het oordeel een rol kunnen spelen. Deze zijn echter niet uitputtend.
Kijkend naar de omstandigheden genoemd in artikel 26, derde lid, OLW, stelt de rechtbank vast dat het enige noemenswaardige onderscheid erin bestaat dat EAB II ziet op een aanzienlijk groter aantal feiten dan EAB I.
Daarnaast is op zitting gebleken dat de persoonlijke banden van de opgeëiste persoon met Duitsland sterker zijn.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat voorrang dient te worden gegeven aan EAB II.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7, 26 en 28 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Tübingen (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEPAALT dat VOORRANG dient te worden gegeven aan het onderhavige EAB (EAB II), boven het door België uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel met parketnummer 13/751074-22 (EAB I).
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. E.G.M.M. van Gessel en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Rechtbank Amsterdam 3 januari 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV1095.