Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-04-28
ECLI:NL:RBAMS:2022:4075
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,810 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751967-20
RK nummer: 22/795
Datum uitspraak: 28 april 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 februari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juli 2020 door het Amtsgericht Köln (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
verblijvende op het adres: [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 april 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsman, mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de nationaliteit van de opgeëiste persoon onbekend is.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel uitgevaardigd door het Amtsgericht Keulen op 13 november 2017, zaaknummer: 505 Gs 1841/17.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. Hij heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. De feitomschrijving is te summier, waardoor het specialiteitsbeginsel onvoldoende is gewaarborgd. Het gaat om een verdenking van in totaal 35 inbraken dan wel pogingen daartoe, zonder dat duidelijk is waar en wanneer deze exact hebben plaatsgevonden. In het EAB wordt gesproken van de pleegplaats ‘Keulen’ en de pleegperiode ‘13 maart tot en met 26 april 2017’. Dat is té algemeen. Ook blijkt uit de feitomschrijving niet duidelijk wat de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is. De overlevering van de opgeëiste persoon moet daarom worden geweigerd.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor haar overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB aan bovengenoemde eisen. Daarin is immers te lezen dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van het medeplegen van in totaal 35 (pogingen tot) inbraken in Keulen, in de periode van 13 maart 2017 en 26 april 2017. Ook blijkt daaruit dat de opgeëiste persoon de feiten telkens met één afzonderlijk vervolgde (bij naam genoemde) medeverdachte heeft gepleegd. Verder blijkt uit het EAB dat er in het totaal ongeveer €56.798,- aan contant geld en goederen is weggenomen bij de inbraken en dat er ongeveer €15.291,29 euro aan materiële schade is. De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze omschrijving voldoende duidelijk is waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een (lopend) strafrechtelijk onderzoek en niet van een veroordeling.
De rechtbank verwerpt het verweer en merkt in dat kader nog op dat – anders dan de raadsman in zijn verweer lijkt te suggereren – de hiervoor genoemde verplichting tot vermelding van het ‘tijdstip’ van de strafbare feiten niet meebrengt dat het EAB naast een pleegdatum of -periode ook een tijdsaanduiding dient te bevatten.
4Strafbaarheid
Feiten
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Köln (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Rechtbank Amsterdam van 1 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1018.
Rechtbank Amsterdam 3 januari 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV1095.