Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-10-04
ECLI:NL:RBAMS:2022:5749
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,914 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/172699-22
RK nummer: 22/3491
Datum uitspraak: 4 oktober 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 juli 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 maart 2022 door de Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Lille (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 september 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.L. L’Homme, advocaat te Amsterdam.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.0000
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, uitgevaardigd door een rechter-commissaris bij de justitiële rechtbank te Lille op 14 maart 2022 (parketnummer: 17325000201).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2 OLW. Zoals blijkt uit de uitspraak van deze rechtbank van 6 september 2022, dient er in het EAB onder meer een tijdstip te worden genoemd. In de feitomschrijving ontbreekt echter het tijdstip. Daarnaast blijkt de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten niet afdoende uit het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten in het EAB genoegzaam zijn omschreven. In het EAB wordt de datum genoemd waarop de feiten zouden hebben plaatsgevonden. De specialiteit kan worden gewaarborgd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
De rechtbank begrijpt het standpunt van de raadsman aldus dat de term ‘tijdstip’ als bedoeld in artikel 2, tweede lid, e°, OLW dusdanig strikt dient te worden geïnterpreteerd dat er, naast een datum of periode, ook een tijdsaanduiding dient te worden vermeld. Dit standpunt vindt geen steun in de jurisprudentie van deze rechtbank. De rechtbank verwijst in dat verband naar haar uitspraak van 3 januari 2012. In de door de raadsman aangehaalde uitspraak valt evenmin te lezen dat de vermelding van een tijdsaanduiding is vereist, naast de vermelding van een datum of periode.
De opgeëiste persoon wordt door de Franse autoriteiten ervan verdacht dat hij op 17 november 2017 in Amsterdam en Parijs (Frankrijk) 17.840 gram XTC-pillen binnen het grondgebied van Frankrijk heeft gebracht, heeft vervoerd en in bezit heeft gehad.
Het is voor de opgeëiste persoon dan ook voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten.
De rechtbank verwerpt het verweer.
4Strafbaarheid: Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Lille (Frankrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 4 oktober 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Rb. Amsterdam 6 september 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5357.
Rb. Amsterdam 3 januari 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV1095.
Zie onder meer: Rb. Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3763.